1.
INLEIDING
Als oorzaken voor een extreme vroeggeboorte (amenorrhoeduur tussen 16 en
28 weken) gelden intra-uteriene infectie, bloedingen in het placentabed,
uterusanomalieën (waaronder DES-geïnduceerd), congenitale afwijkingen
van de foetus en cervixinsufficiëntie. Het beeld van de extreme
vroeggeboorte door cervixinsufficiëntie wordt gekenmerkt door het
recidiverend karakter ervan en het ontstaan van ontsluiting zonder
voorafgaande weeënactiviteit. Hierdoor zoeken de patiënten veelal in
een laat stadium hulp, als de ontsluiting al volledig is of de
vochtblaas uitpuilt in de vagina.
In 1957 werd door McDonald een circulaire hechting in de cervix langs
vaginale weg beschreven ('purse string') die rond de 14-de week van een
volgende zwangerschapwerd aangebracht en de functionaliteit van de
cervix moest herstellen. [1] Ofschoon de effectiviteit, mede door het
ontbreken van random-controlegroepen, niet onomstotelijk vaststaat, is
cerclage bij vermeende cervixinsufficiëntie een standaardbehandeling
geworden.[2,3] Een vaginale cerclage is technisch niet altijd mogelijk,
als de cervix te kort is of ontbreekt. Dit kan het geval zijn na
voorafgaande chirurgie van de portio. In deze gevallen is een
transabdominale cervixcerclage (TCC) aangewezen, zoals die in 1965 door
Benson en Durfee werd beschreven. [4] Hierbij wordt via een laparotomie,
net boven het niveau van de mediane aanhechting van de ligamenta
sacro-uterina een mersileen bandje rond de cervix geknoopt. Deze ingreep
kan tijdens de zwangerschap, maar ook ervóór worden uitgevoerd.
Aangezien de cerclage niet vaginaal kan worden verwijderd, wordt de
zwangerschap altijd beëindigd door een sectio caesarea. Het bandje kan
desgewenst in situ blijven voor toekomstige zwangerschappen.
Nu als gevolg van technische ontwikkelingen in de laparoscopische
chirurgie, meer laparotomieën kunnen worden vervangen door laparoscopieën,
lijkt ook de TCC zich goed te lenen voor een laparoscopische benadering.
Er wordt een patiënte beschreven, bij wie wegens cervixinsufficiëntie
een cervixcerclage langs laparoscopische weg werd uitgevoerd, alsmede
het beloop van de daar op volgende zwangerschap.
2.
ZIEKTEGESCHIEDENIS
Mevrouw R-S, 34 jaar was in 1989 bevallen van een zoon van 2400 gram bij
een amenorroeduur van 40 weken. Wegens Cervicale Epitheliale Neoplasie
(CIN) onderging zij in 1992 een diathermische lusexcisie van de portio,
waarna normale portiocytologie werd verkregen. In 1993 beviel zij, kort
na aankomst in het ziekenhuis bij een amenorroe van 17 weken zonder
voorafgaande weeën of bloedingen van een levende vrucht. Er konden bij
macroscopisch en microscopisch onderzoek van de mannelijke foetus geen
aangeboren afwijkingen worden vastgesteld. Chromosomaal onderzoek werd
niet verricht. Ook infectiediagnostiek leverde geen oorzaak op voor de
extreme vroeggeboorte en bij uitsluiting en op basis van de voorafgaande
portiochirurgie werd de diagnose cervixinsufficiëntie gesteld. Bij
gynaecologisch onderzoek vier jaar na de zwangerschap kon in speculo
geen portio meer worden gezien, de vaginagewelven ontbraken geheel en
het ostium van de endocervix eindigde in de vaginakoepel. Besloten werd
tot de laparoscopische variant van de TCC.
TECHNIEK
Na het inbrengen van het laparoscopisch instrumentarium (een 12 mm
trocar in de navel en twee 5 mm hulptrocars laag lateraal) en van een
hysterofoor volgens Valtcheff (Valtcheff uterine mobilizer, Cook, Son)
werden bij inspectie normale genitalia interna gezien. Met behulp van
paktang en Metzenbaumschaar werd de blaasserosa ingeknipt en kon de
blaas worden afgeschoven van de cervix uteri. Met een gekromde
prepareerklem kon de avasculaire ruimte direkt lateraal gelegen van de
cervix en tussen de opstijgende en afdalende tak van de arteria uterina,
van ventraal naar dorsaal worden gepenetreerd. Een mersileenbandje, vijf
mm breed, werd links en rechts door de avasculaire ruimte getrokken en
aan de achterzijde van de cervix geknoopt, zodanig, dat een hegarstift 8
het cervicale ostium gemakkelijk kon passeren.(Zie figuur 1)

figuur
1
De
blaasserosa werd niet gesloten. De ingreep duurde 40 minuten. Patiënte
verliet de volgende dag in goede conditie het ziekenhuis.
Enkele maanden later werd zij zwanger (G3 / P2). Gedurende de
zwangerschap werd door middel van transvaginale echoscopie wekelijks de
cervixlengte gemeten en op veranderingen ('trechtervorming')
gecontroleerd conform de kriteria van Berghella e.a..[5] De zwangerschap
ontwikkelde zich voorspoedig, de cervix bleef gesloten en er traden geen
premature contracties op. Kort voor de partus werd de ligging van het
bandje nog echoscopisch
vastgelegd.
In verband met foetale groeivertraging, een hoge stroomweerstand van de
placenta ('nulflow' in a. umbilicalis) en CTG-afwijkingen werd (reeds
bij 37 weken) een primaire sectio caesarea verricht die zonder
bijzonderheden verliep. Er werd een jongen geboren met een Apgarscore
van 10 na 5 minuten, een arteriële navelstreng-PH van 7,25 en een
geboortegewicht van 1890 gram (< 5-de percentiel) . Aangezien patiënte
geen kinderwens meer had werd het Mersileen bandje tijdens de sectio
caesarea verwijderd.
3.BESCHOUWING
In bovenstaande ziektegeschiedenis werd een patiënte beschreven, bij
wie met sukses een transabdominale cervix cerclage (TCC) werd verricht
langs laparoscopische weg. Met deze benadering herstelde patiënte vlot
en werd een laparotomie voorkomen. Voor zover bekend, werd één keer
eerder de laparoscopische benadering van de TCC beschreven. [6] De
indicatie voor een TCC is díe omstandigheid, waarin een vaginale
cerclage gebleken is niet effectief te zijn of technisch niet mogelijk
is door een te korte of afwezige portio. Nadeel van de TCC is het feit,
dat er, de sectio inbegrepen, twee laparotomieën nodig zijn. Dit nadeel
wordt gedeeltelijk weggenomen door de TCC laparoscopisch te verrichten.
Een andere methode om in geval van een korte portio een cerclage veilig
aan te brengen, zonder de vruchtzak aan te prikken werd beschreven door
Ludmir e.a., die langs vaginale weg de blaas afprepareerde en de
hechting onder echoscopisch zicht plaatste. [7] Hij beschreef vijf
ingrepen bij vier patiënten, die tussen de 33-ste en 41-ste week
bevielen. Het betrof DES-dochters, waarvan slechts één een extreme
vroeggeboorte in de voorgeschiedenis had en bij de anderen op grond van
een vroegere exconisatie tot de cerclage was besloten. Zoals bekend
leidt zelfs de combinatie van DES-expositie en exconisatie niet altijd
tot een cervixinsufficiëntie. Dit kan een schijnbare effectiviteit tot
gevolg hebben gehad. Het is daarbij de vraag of men met deze techniek de
cervix zo hoog kan cercleren als met de TCC, waarbij men de hoogst
mogelijke plaats à vue kan brengen.
Een aantal overzichtsartikelen zijn er over de TCC verschenen. [8 - 12]
De effectiviteit wordt uitgedrukt in 'salvage' (Eng: redding, berging),
een ratio van het aantal levende kinderen per aantal zwangerschappen. De
salvage vóór TCC en erna bedroegen over 298 zwangerschappen resp. 16 %
en 85 %. [9] In een recenter onderzoek van 50 vrouwen met een vermeende
cervixinsufficiëntie bedroegen deze percentages 6 % en 85 %. [10] Het
nadeel van deze weergave van resultaten is de selectie van patiënten,
die in hoge mate het succes van de cerclage bepaalt. Indien een groot
deel van de onderzoekpopulatie een extreme vroeggeboorte heeft op basis
van vroege, onstuitbare weeënactiviteit zonder cervixinsufficiëntie,
dan zal de cerclage weinig invloed hebben op de uitkomst van een
toekomstige zwangerschap. Voor TCC zijn er geen gerandomizeerde
onderzoeken gepubliceerd, terwijl deze voor vaginale cerclagetechnieken
tegenstrijdige resultaten opleveren. [13,14]
De laparoscopische TCC in deze casus werd preconceptioneel uitgevoerd,
omdat men in de zwangerschap de uterus niet kan manipuleren. Dit laatste
is een voorwaarde, om bij het vrijprepareren van de avasculaire ruimte
juist boven de aanhechting van de ligamenta sacro-uterina ook de
achterzijde van de uterus goed in beeld te kunnen brengen. Bovendien is
de kans op bloedingen minder groot buiten de zwangerschap en bestaat er
geen risico de zwangerschap te verstoren. Daar staat tegenover, dat men
bij cerclage in de zwangerschap geen onnodige chirurgie bedrijft in
geval van latere infertiliteit en men tijdens de zwangerschap de patiëntenselectie
mogelijk kan verfijnen. In een meta-analyse van 130 zwangerschappen werd
zowel na de pre- als na de postconceptioneel uitgevoerde TCC een
'salvage' verkregen van resp. 81 % en 89 %. [12]
Een oordeel of cerclage in het algemeen de vascularisatie van de uterus
beschadigt en daarmee de kans op placentaire insufficiëntie bevordert,
laat de ziektegeschiedenis van deze patiënte, die een zware rookster
was tijdens deze zwangerschap, niet toe, terwijl ook in de genoemde
overzichtspublicaties de geboortegewichten niet zijn vermeld.
4.SAMENVATTING
Er wordt melding gemaakt van een laparoscopische (transabdominale)
cervixcerclage. De ingreep verliep voorspoedig, alsmede de
daaropvolgende zwangerschap. In díe gevallen, waarin een cervixcerclage
geïndiceerd is, maar langs vaginale weg niet mogelijk is, valt, gezien
de geringe belasting voor de patiënt, een laparoscopische benadering
van de transabdominale cerclage (TCC) te overwegen.
DANKBETUIGING
Graag willen wij Eveline Moret, biometriste danken voor de zorgvuldige
wijze, waarop zij de vele transvaginale echoscopieën heeft gemaakt en
dr. P.W.J. van Dongen, gynaecoloog voor zijn adviezen met betrekking tot
de operatietechniek.
LITERATUUR
- McDonald
IA. Suture for the cervix for inevitable miscarriage. J
Obstetr Gynaecol Br Emp 1957;64:346.
- Barth
WH,Jr., Cervical incompetence and cerclage: unresolved
controversies. Clin Obstet Gynecol 1994;37:831-841.
- Flint
S, Gibb DM, Recurrent second trimester miscarriage. Curr Opin Obstet
Gynecol 1996;8:449-453.
- Benson
RC, Durfee RB. Transabdominal transuterine cerclage during pregnancy
for the treatment of cervical incompetence. Obstet
Gynecol 1965;25:154.
- Berghella
V, Kuhlman K, Weiner S, Texeira L, Wapner RJ. Cervical
funneling: sonographic criteria predictive of preterm delivery.
Ultrasound of Obstet Gynecol 1997;10:161-6.
- Scibetta
JJ, Sanko SR, Phipps WR. Laparoscopic transabdominal cervicoisthmic
cerclage. Fertil Steril 1998;69:161-163.
- Ludmir
J, Jackson GM, Samules P. Transvaginal cerclage under ultrasound
guidance in cases of severe cervical hypoplasia. Obstet Gynecol
1991;78:1067.
- Cammarano
CL, Herron MA, Parer JT. Validity of indications for transabdominal
cervicoisthmic cerclage for cervical incompetence. Am J Obstet
Gynecol 1995;172:1871-1875.
- Marx
PD. Transabdominal cervicoisthmic cerclage: a review. Obstet Gynecol
Surv 1989;44:518-522.
- Gibb
DM, Salaria DA. Transabdominal cervicoisthmic cerclage in the
management of recurrent second trimester miscarriage and preterm
delivery [see comments]. Br
J Obstet Gynaecol 1995;102:802-806.
- van
Dongen PWJ, Nijhuis JG. Transabdominal cerclage. Eur J Obstet
Gynaecol Reprod Biol 1991;41:97-104.
- Novy
MJ, Transabdominal cervicoisthmic cerclage: a reappraisal 25 years
after its introduction. Am J Obstet Gynecol 1991;164:1635-41.
- MRC/RCOG
Working Party on cervical cerclage; final report of the medical
research council/Royal College of Obstetricians and Gynaecologists
multicentred randomized trial of cervical cerclage. Br J Obstet
Gynaecol 1993;100:516-23.
Rush
RW, Isaacs S, McPherson K. A randomised controlled trial of cervical
cerclage in women at high risk of spontaneous preterm delivery. Br J
Obstet Gynaecol 1984;91:724-30. |