|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Afwijkende cytologie en zwangerschap |
![]() |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Mevr. E.J.M. van Erp, gynaecoloog, Ziekenhuis Leyenburg, den Haag |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Het
Bevolkingsonderzoek Baarmoederhalskanker nieuwe stijl, ingegaan in
1996, adviseert de screenende huisarts het maken van een uitstrijk
uit te stellen bij vrouwen die zwanger zijn of nog binnen 6 maanden post
partum. Dat leidt ertoe, dat de Nederlandse gynaecoloog maar zelden te
maken krijgt met een zwangere met een afwijkende uitstrijk. In de V.S. en
Australië wordt de zwangerschapscontrole juist gezien als een kans om te
screenen (1,2). Voor de cytoloog
is het belangrijk te weten dat er sprake is van zwangerschap, omdat
specifieke cytologische veranderingen kunnen optreden zoals de
aanwezigheid van uitgebreide squameuze metaplasie, ontstekingsreaktie,
hyperplastische endocervicale cellen, Arias-Stella reaktie, en deciduale
en trofoblastaire cellen. Dit kan diagnostische problemen met zich
meebrengen en leiden tot een fout-positieve uitstrijk (3,4,5). Dit artikel
handelt over de diagnostiek en behandeling van premaligne
cervixafwijkingen tijden sde zwangerschap. De dilemmas rond het
optreden van invasief cervixcarcinoom tijdens de zwangerschap vallen
buiten het bestek van dit artikel. Natuurlijk
beloop van premaligne cervixafwijkingen In het algemeen
wordt de progessiekans berekend door de kolposcopisch gerichte biopsie in
de zwangerschap te vergelijken
met de definitieve histologie, die vrijwel altijd post partum wordt
verkregen. Men meet dan echter niet alleen de progressiekans. In dit
cijfer zijn ook opgenomen díe afwijkingen, die bij kolposcopisch gerichte
biopsie tijdens de zwangerschap gemist zijn. De kans op enige
vorm van progressie is bij
lichte afwijkingen en CIN II rond de 10%, bij CIN III veel lager: 2%. Bij een
afwijkende uitstrijk tijdens de zwangerschap, dient kolposcopie
om invasieve ziekte uit te sluiten. Wordt een CIN geconstateerd,
dan is de kans op progressie zo gering dat behandeling van de CIN gerust
kan worden uitgesteld tot na de zwangerschap (7). De kans op
spontane regressie van een
dysplastische afwijking tijdens de zwangerschap en de post-partumperiode
is veel groter dan de kans op progressie. Yost (10) onderzocht de
invloed van de wijze van bevallen op het natuurlijk gedrag van CIN II en
CIN III bij 153 zwangeren. Een vaginale baring, een primaire Sectio
Caesarea of een secundaire Sectio Caesarea maakte geen statistisch
significant verschil in regressiekans: in alle groepen ongeveer 70%. In
een andere, retrospectieve studie met een sterk geselecteerde groep van
138 patiënten, vond men dat
60% van de ernstige cytologische afwijkingen verdween bij de vrouwen die
vaginaal bevielen, terwijl geen van de 12 patiënten die een Sectio
Caesarea onderging post partum regressie van de afwijking vertoonde (12).
Er lijkt derhalve geen reden te zijn een vaginale bevalling te ontraden bij een zwangere met een CIN- laesie. Cervixcytologie Uit tabel 2
blijkt, dat deze varieert tussen de 46 en 88%,
waarbij CIN III gemist werd in 36-52% van de gevallen. Dit pleit vóór
het verrichten van kolposcopisch onderzoek, ook indien
de uitstrijk slechts licht afwijkend is. Anderzijds is de kans op
het vinden van invasie bij een licht afwijkende uitstrijk ( PAP II, IIIA, lichte dysplasie) nihil ,
en de kans op een CIN III zeer laag (2), zodat een kolposcopische
evaluatie even goed uitgesteld zou kunnen worden tot na de bevalling. Kolposcopie Bij zwangeren is
de overgangszône veel vaker
volledig te overzien dan bij niet-zwangeren, met name in het derde
trimester (9). Endocervicale
curettage kan een gevaar
betekenen voor de zwangerschap, en wordt niet geadviseerd. In tabel 3 is
opgenomen de accuratesse van de kolposcopisch impressie bij zwangeren .
Het gaat steeds om zwangeren met afwijkende uitstrijken, de kolposcopische
impressie werd accuraat
genoemd wanneer deze binnen één dysplasie-graad overeenkwam met de
histologische diagnose. In 76% van de gevallen kwam de kolposcopische
impressie binnen één dysplasiegraad overeen met de biopsie tijdens de
zwangerschap. CIN III wordt in
28% van de gevallen gemist bij de kolposcopische impressie. In een case-control studie
werd gevonden dat high-grade CIN significant vaker werd ondergewaardeerd
bij zwangeren dan bij niet-zwangeren (9).
Het verdient
aanbeveling, ook in de zwangerschap, bij kolposcopische evaluatie ook een
biopsie te nemen. De kans op een nabloeding bedraagt 0.5-1% (zie tabel 4.) De accuratesse
van de kolposcopisch gerichte biopsie is
over-all 79%, hetgeen
wil zeggen dat de einddiagnose post partum in 79% van de gevallen binnen
één dysplasiegraad overeenkomt met de eerste diagnose gesteld met
kolposcopisch gerichte biopsie (zie tabel 5). Opvallend is, dat
CIN III in 28% van de gevallen in eerste instantie als een
afwijking met een geringere dysplasiegraad wordt ingeschat. Is eenmaal een
diagnose gesteld, en is (micro)invasie uitgesloten, dan is het de vraag of
herhaalde kolposcopie en/of cytologie zinnig is. In een serie van 253 patiënten
met ASCUS of LGSIL in de uitstrijk ( te vergelijken met PAP II- IIIA;
lichte dysplasie) werd intensief vervolgonderzoek gedaan met uitstrijken
en kolposcopie een biopsie werd alleen genomen bij verdenking CIN II-III.
Bij 4% werd een CIN III gevonden, nooit micro-invasie of invasie
(2). Bij geringe cytologische afwijkingen is herhaalde kolposcopie dus
niet aangewezen. Kolposkopie kan
wel vastleggen of de afwijkingen toenemen. Wanneer een kolposcopisch
verdachte afwijking groter wordt, is de kans groot dat het een CIN III
betreft (14). Hoe groter het oppervlak van een CIN III, des te groter is
ook de kans op aanwezigheid van micro-invasie (15). Grote laesies, die CIN
III bevatten, dienen zeker kolposcopisch te worden vervolgd tijdens de
zwangerschap. Alleen een verslechterd kolposcopisch beeld, of groter
worden van de laesie is dan een reden om hernieuwd te biopteren. Behandeling Een conisatie
gaat gepaard met een verhoogde kans op spontane abortus, partus immaturus
en praematurus tijdens de zwangerschap waarin deze wordt verricht (16).
Sommigen proberen die kans te verminderen door het tegelijkertijd
aanleggen van een Shirodkar-cerclage (17). Deze laatste serie is echter te
klein om een goed onderbouwd advies te geven. Er bestaat een melding van 2
patiënten bij wie per toeval cryochirurgie werd verricht in het eerste trimester van de zwangerschap.
Deze 2 zwangerschappen verliepen zonder complicaties (18). Diathermische
lisexcisie lijkt hetzelfde complicatieprofiel te hebben als conisatie
(19). Wanneer een
vroeg stadium cervixcarcinoom wordt geconstateerd is te overwegen de
behandeling uit te stellen tot na de bevalling in de à terme periode. In
een retrospectieve studie werd bij 8 patiënten gekozen voor het
uitstellen van de behandeling. Het ging om zwangere patiënten met een bij
biopsie bevestigd cervixcarcinoom stadium Ia1-Ib. Gemiddeld werd de
behandeling (radicale hysterectomie) 144 dagen uitgesteld, tot bij of na
de Sectio Caesarea. Alle patiënten hadden
een klinisch complete remissie bij een mediane follow-up van 23 maanden
(23). Seropositieve
zwangeren Conclusie Tabel 1.
Tabel 2.
*: Vergeleken
met definitieve histologie, dezelfde dysplasiegraad. Tabel 3.
*:
vergeleken met histologie post partum **: vergeleken
met histologie in zwangerschap Tabel 4.
Tabel 5.
Literatuurlijst 1. Allen DG. Planner RS. Tang PTM. Scurry JP. Weerasiri T. Invasive cervical cancer in pregnancy. Aust NZ J Obstet Gynaecol 1995;35:408-12. 2. Jain AG. Higgins RV. Boyle MJ: Management of low-grade squamous intraepithelial lesions during pregnancy. Am J Obstet Gynecol 1997: 88: 298-302. 3. Michael CW. Esfahani FM.Pregnancy-related changes: A retrospective review of 278 cervical smears. Diagn Cytopathol;1997;17:99-107. 4. Pisharodi LR. Jovanovska S. Spectrum of cytologic changes in pregnancy. Acta Cytol; 1995;39:905-8. 5. Benoit JL. Kini SR. Arias-Stella reaction-like changes in endocervical glandular epithelium in cervical smears during pregnancy and postpartum states-a potential diagnostic pitfall. Diagn Cytopathol 1996;14:349-55. 6. Nasiell K. Nasiell M. Vaclavinkova V. Behaviour of moderate cervical dysplasia during long-term follow-up. Obstet Gynecol 1983;61:609-14. 7. Woodrow N. Permezel M. Butterfield L. Rome R. Tan J. Quinn M. Abnormal cervical cytology in pregnanacy: experience of 811 cases. Aust NZ J Obstet Gynaecol 1998; 38: 161-5. 8. Giraud JR. Poulain P. Renaud-Giono A. Burtin F. Burtin JF. Proudhon JF. Leveque J. CIN 3 et grossesse. J Gynecol Obstet Biol Reprod 1997; 26: 496-502. 9. Baldauf JJ. Dreyfus M. Ritter J. Philippe E. Colposcopy and directed biopsy reliability during pregnancy: a cohort study. Eur J Ob Gyn Reprod Biol;1995: 62, 31-6. 10. Yost NP. Santoso JT. McIntire DD. Iliya FA. Postpartum regression rates of antepartum cervical intraepithelial neoplasia I and II lesions. Obstet Gynecol 1999; 93:359-62. 11. Coppola A. Sorosky J. Casper R. Anderson B. Buller RE. The clinical course of cervical carcinoma in situ diagnosed during pregnancy. Gynecol Oncol 1997; 67:162-5. 12. Ahdoot TD. Van Nostrand KM. Nguyen NJ. Tewari DS. Kurasaki T. DiSaia PJ. et al The effect of route of delivery on regression of abnormal cervical cytologic findings in the post partum period. Am J Obstet Gynecol 1998;178:1116-20. 13. Economos K. Perez-Veridiano N. Delke I. Collado ML. Tancer ML. Abnormal cervical cytology in pregnancy: a 17 year experience. Obstet Gynecol 1993; 81: 915-8. 14. Mikhail MS. Anyaegbunam A. Romney S. Computerized colposcopy and conservative management of cervical intraepithelial neoplasia in pregnancy. Acta Obstet Gynecol Scand 1995; 74: 376-8. 15. Tidbury P. Singer A. Jenkins D. CINIII: The role of lesion size in invasion. Br J Obstet Gynecol 1992; 99:583-6. 16. Averette HE. Naser N. Yankow SL. Little SW. Cervical conization in pregnancy; Analysis of 180 operations. Am J Obstet Gynecol 1970;106:543-9. 17. Ueki M. Ueda M. Kumagai K. Okamoto Y. Noda S Matsuoka M. Cervical Cytology and conservative management of cervical neoplasias during pregnancy. Int J Gynecol Pathol 1995;14:63-9. 18. Harper DM. Roach MSI. Cervical intraepithelial neoplasia in pregnancy. J Fam Pract 1995; 42: 79-83. 19. Robinson WR. Webb S. Tirpack J. et al: Management of cervical intraepithelial neoplasia during pregnancy with loop excision. Gynecol Oncol 1997;64:153-5. 20. Penna C. Fallani MG. Maggiorelli M. Zipoli E. Cardelli A. Marchionni M. High-grade cervical intraepithelial neoplasia (CIN) in pregnancy: clinicotherapeutic management. Tumori 1998;84:567-70. 21. Duggan B. Muderspach LI. Roman LD, Curtin JP. dAablaing G. Morrow P. Cervical cancer in pregnancy: reporting on planned delay in therapy. Obstet Gynecol 1993; 82: 598. 22. Matorras R. Ariceta JM. Rementeria A. et al Human Immunodeficiency virus-induced immunosuppression: a risk factor for human papilloma virus infection. Am J Obstet Gynecol 1991; 164:42-4. 23. Fife KH. Katz BP. Roush J. et al. Cancer-associated human papillomavirus types are selectively increased in the cervix of women in the first trimester of pregnancy. Am J Obstet Gynecol 1996; 174: 1487-93. 24.
Stratton P. Gupta P. Riester
K. Fox H. Zorrilla C. Tuomala R. et al: Cervical dysplasia on
cervicovaginal Papanicolaou smears among HIV-1-infected pregnant and
nonpregnant women. J acq Imm Def Syndr Hum Retrovir 1999;20: 300-7. Multiple-choice
vragen 1. a.
0.1% b.
0.2% c.
2% d.
10% 2. a.
diagnostische conisatie b.
expectatief
beleid tot na de zwangerschap c. endocervicale curettage d.
herhalen van de
kolposkopie bij een amenorrhoe van 30 weken
3. Een HIV-positieve zwangere a. heeft een vijfmaal
hogere kans dan een HIV-negatieve zwangere op een
abnormale uitstrijk b. heeft een driemaal
hogere kans dan een HIV-negatieve zwangere op progressie van een CIN
laesie c. heeft evenveel kans
als een HIV-negatieve zwangere op een CIN
4. Een atypisch gebied binnen de transformatiezône dat groter wordt tijdens de zwangerschap a.
bevat meestal
micro-invasie b.
heeft geen
enkele betekenis c.
is meestal CIN
III Goede antwoorden 1:c, 2:d, 3:a,4:c |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||