|
Reeds
vanaf de eerste jaren dat IVF toegepast werd, was gesuggereerd dat het
risico van een spontane abortus bij geassisteerde voortplanting hoger zou
zijn dan bij natuurlijk ontstane zwangerschap.
[i],[ii]
Een van de onbeantwoorde vragen echter was in hoeverre hier sprake is van
een causaal verband, dan wel of verschillen in de patiëntenpopulatie als
zodanig aansprakelijk zou kunnen zijn. IVF patiënten zijn gemiddeld
ouder, en er zijn diverse oorzaken voor verminderde vruchtbaarheid, zoals
de aanwezigheid van intracavitaire poliepen, van tuba-afwijkingen bij een
DES uterus en van een hydrosalpinx die ook geassocieerd zouden kunnen zijn
met een toegenomen risico van een spontane miskraam[iii][iv].
Daarom onderzocht Correy het verloop van spontaan ontstane zwangerschappen
in een IVF populatie[v] het risico van abortus was
kleiner in de groep spontane zwangerschappen, dat van een EUG groter, zij
het geen van beide significant vanwege de geringe aantallen. Dit neemt
echter niet weg dat het mogelijk is dat in deze groep bepaalde patiënten,
zoals diegenen met beiderzijds hydrosalpinx,
niet vertegenwoordigd zullen zijn,
Bij het beoordelen van mogelijke invloeden van behandeling van
onvruchtbaarheid op de als gevolg daarvan ontstane jonge zwangerschap
dienen meerdere aspecten te worden betrokken: kan er sprake zijn van een
causaal verband, of betreft het een epifenomeen. Een voorbeeld is de
behandeling van DES dochters: deze hebben meer kans om in het
onvruchtbaarheidcircuit terecht te komen; zij hebben meer kans op een
extra-uteriene zwangerschap, maar ook is de kans groter dat zij- met of
zonder behandeling- een spontane abortus krijgen.
Factoren die
het abortusrisico bepalen
Zowel na IVF als in na natuurlijk ontstane zwangerschappen is sprake van
een toename van het abortusrisico met de leeftijd van de vrouw. In een
groot recent Nederlands onderzoek nam bij IVF het risico toe van 17 % bij
jonge vrouwen tot 40 % bij vrouwen van veertig en ouder.[vi]
Het over all abortusrisico bedroeg 22,3 %, hetgeen ongunstig
afsteekt tegen de kans na natuurlijke zwangerschap die in een recente
studie geschat werd op 13,2 %[vii]
Figuur 1 geeft een weergave
van dit abortusrisico 6

Fig
1: Abortusrisico in relatie tot leeftijd bij IVF patiënten in een
Nederlandse populatie (ref.6: Koudstaal J. et al., 1999)
IVF
patiënten verschillen in meerdere opzichten van een standaard
zwangerenpopulatie. De gemiddelde leeftijd is hoger- in veel centra ligt
deze rond de 35 jaar- en een grote groep komt eerder tegen de veertig, met
daaraan inherent een verhoogd leeftijdsrisico op abortus. PCO patienten,
met name de moeilijk te stimuleren clomifeenresistente vrouwen hebben
zowel een vergrote kans om in aanmerking te komen voor een een IVF
behandeling, alsook een verhoogde kans op spontane abortus.
Subklinisch
zwangerschapsverlies
Een
belangrijk kenmerk van IVF patiënten is ook dat zij in het algemeen
direct willen weten of sprake is van een zwangerschap, en dat een test zo
snel mogelijk wordt verricht. Ook een aantal centra werken hieraan mee met
de bepaling van een serum hCG reeds vanaf ongeveer 11 dagen na
follikelaspiratie. Bij de normale vruchtbare populatie zijn er meerdere
vrouwen, die de datum van de laatste menstruatie niet goed bijhouden en
pas na geruime tijd merken dat zij zwanger zijn. Hiermee zijn deze groepen
niet vergelijkbaar. Wanneer
bij IVF patiënten toch, na een iets verhoogde serumconcentratie hCG, een
menstruatie optreedt wordt dat vaak door zowel de patiënt als het
centrum, uitgeboekt als een spontane abortus. Internationaal was reeds
enkele jaren geleden afgesproken dat het begrip biochemische
zwangerschap niet meer zou worden gebruikt, maar uit de
wetenschappelijke literatuur blijkt dat meerdere centra zich daar nog
steeds niet aan houden.
Het
natuurlijk beloop na de bevruchting
Reeds
geruime tijd werd vermoed dat het merendeel van alle menselijke
embryos, ook bij natuurlijke zwangerschappen, zich niet innestelen.
Diverse onderzoekers hebben dan ook geprobeerd bij vruchtbare vrouwen met
zeer gevoelige hCG bepalingen in de luteale fase, na te gaan in welk
gedeelte sprake is van vroeg zwangerschapsverlies, nog voordat de
verwachte menses- op tijd- optreedt[viii],[ix],[x],[xi],[xii],[xiii],[xiv],[xv].
Hoewel de diagnose mede afhankelijk is van de gebruikte afkapwaarde voor
hCG, werden in deze studies grote verschillen gevonden in het subklinisch
zwangerschapsverlies. Tussen de 13 en 60 % van alle gevallen met positieve
hCG trad menses op, met een gewogen gemiddelde van ongeveer 30 %. Dit
percentage steeg naarmate de vrouw ouder werd. (figuur 2)

Fig 2:
Verhouding relatieve fertiliteitskans (20 jaar = 1) versus het vroege
zwangerschapsverlies in een fertiele populatie in relatie tot de leeftijd.
Uit ref. 15: Holman DJ, 2000 (in druk)
Een andere factor leek het moment van fertilisatie: het percentage
subklinisch verlies steeg naarmate de fertilisatie later had
plaatsgevonden[xvi].
Ook wanneer het hCG pas laat aantoonbaar werd steeg het risico van
subklinisch verlies[xvii].
Infertiliteit
als zodanig predisponeert voor een verhoogd risico op subklinisch verlies:
Hakim vond een verlies van maar liefst 70 % bij vrouwen met
voorgeschiedenis van subfertiliteit, die toch spontaan zwanger geworden
waren. Dit is vergelijkbaar met de 50 % in een studie waarin
zwangerschappen werden onderzocht die na clomifeenbehandeling waren
ontstaan[xviii]
Beschreven is dat het percentage preclinical loss bij IVF varieerde
van 20 tot 50 %[xix].
In een recente studie werd een percentage van 43 % voor IVF en
eiceldonatie (ECD) samen gevonden tegenover 30 % in een compilatie van een
aantal bovengenoemde studies bij vruchtbare vrouwen[xx].
In dezelfde studie werd echter een veel hoger implantatievermogen van in
vitro ontstane embryos gevonden: 64 % voor IVF/ECD. De auteurs nemen aan
dat het implantatievermogen van embryos in natuurlijke cycli slechts 29 %
is, doch dit schijnbaar exacte getal is conjecturaal, omdat in de
natuurlijke cyclus niet is na te gaan of bevruchting daadwerkelijk is
opgetreden.
IVF
zwangerschappen zijn anders
Wat
ook de achtergrond moge zijn, het zwangerschapsverlies bij IVF is hoger
dan dat na spontaan ontstane
zwangerschappen. In een groot overzicht van de gepubliceerde literatuur
was het verlies (abortus en extra- uteriene graviditeit samen)
respectievelijk 30 % en 19 % [xxi]
Uit de Nederlandse cijfers over de jaren 1996- 1998 blijkt het over-all
zwangerschapsverlies van meer dan 9300 zwangerschappen over drie jaar 23 %
te zijn[xxii].
Opmerkelijk hierbij is dat het risico bij IVF 24 % bedraagt, dat bij ICSI
20 % en dat na terugplaatsing van cryo-embryos 34 % (p < 0.0001 voor
alle verschillen).
Het
hoge percentage meerlingen bij IVF heeft geleid tot de vaak gehoorde
uitspraak dat dit de enige verklarende factor voor het verlies zou kunnen
zijn. Het beloop van IVF zwangerschappen is echter- ook bij eenlingen-
anders. Er is een gering verschil in zwangerschapsduur en een gering
gewichtsverschil
6
Na
correctie naar een aantal variabelen lijkt het gemiddeld verschil gering,
(ongeveer 80 gram en drie dagen) maar het gaat uiteraard vooral om de
extremen. Bv 12,3 % van de
IVF eenlingen had een gewicht onder de 10e percentiel van
normale eenlingzwangerschappen, dus een toename van 23 %.
Gevolgen
voor het zwangerschapsbeleid
Ook
in de vroege zwangerschap heeft het anders zijn consequenties. Bij
het berekenen van het risico van het syndroom van Down met behulp van de
z.g.n. triple test dient men zich te realiseren dat het serum hCG bij 15
weken significant hoger, en het serum aFP significant lager is. [xxiii]
Als
gevolg hiervan treedt er in de risicoberekeningen overschatting van de
kans op een trisomie 21 op van ongeveer 30 %. Men dient bij de beoordeling
van de triple test, dit gegeven mede te betrekken in de advisering, temeer
omdat het hier altijd gaat om zeer gewenste zwangerschappen die met veel
moeite tot stand zijn gekomen.
Vermindering
van zwangerschapsverlies?
Een
belangrijke reden voor een spontane abortus in beide groepen is
aneuploidie van het embryo. Een van de mogelijkheden om te komen tot een
vermindering van het zwangerschapsverlies is dan ook uitsluitend
embryos terug te plaatsen zonder deze afwijking. Bij een multicenter
onderzoek bij een geselecteerde groep vrouwen met een gemiddelde leeftijd
van 39 jaar werd pre-implantatie diagnostiek verricht in de studiegroep,
en werd deze vergeleken met een controlegroep, gematcht op leeftijd, E2
spiegel, aantal follikels, stimulatieduur en punctiedatum[xxiv].
Het percentage abortus nadat hartactie was aangetoond bedroeg 10 % in de
studiegroep tegen 24 % in de controlegroep (P= 0.05) Wel bleken er zeer
grote verschillen tussen de centra onderling te bestaan. Het is zeer wel
mogelijk dat deze optie in de toekomst voor met name oudere vrouwen reëel
wordt.
Samenvatting
en conclusie
Het
zwangerschapsbeloop na kunstmatige voortplanting is- ook bij
eenlingzwangerschappen- niet volledig vergelijkbaar met dat van vruchtbare vrouwen.
Onopgelost blijft of dit te maken heeft met het verschil in populatie, dan
wel of dit het gevolg is van de behandeling zelf. Het is zeker dat
bepaalde vormen van pathologie die zowel leiden tot onvruchtbaarheid als
tot een vergrote kans op zwangerschapsverlies bij IVF vrouwen sterker
vertegenwoordigd zijn. Dit mag er echter niet toe leiden dat deze paren
van behandeling verstoken moeten blijven, maar de arts heeft wel de plicht
tot informatie aan de paren omtrent deze aspecten, die een wezenlijk
nadeel kunnen zijn. De eindstreep van de behandeling is de geboorte van
een gezond kind. Hoe dichter bij deze eindstreep de zwangerschap mis gaat,
hoe groter het leed voor de paren die vaak jarenlang bezig zijn geweest en
voor wie de kunstmatige voortplanting het laatste redmiddel is.
Literatuur
[i]
Edwards RG, Fishel SB, Cohen J, Fehilly CB, Purdy JM, Slater
JM, Steptoe PC, Webster JM Factors influencing the success of in vitro
fertilization for alleviating human infertility. J In Vitro Fert
Embryo Transf 1984 Mar;1(1):3-23
[ii]
Ben-Rafael Z, Fateh M, Flickinger GL, Tureck R, Blasco L, Mastroianni
L Jr Incidence of abortion in pregnancies after in vitro fertilization
and embryo transfer. Obstet Gynecol 1988 Mar;71(3 Pt
1):297-300
[iii]
Sandberg EC, Riffle NL, Higdon JV, Getman CE Pregnancy outcome in
women exposed to diethylstilbestrol in utero. Am J Obstet Gynecol
1981 May 15;140(2):194-205
[iv]
Strandell A, Waldenstrom U, Nilsson L, Hamberger L Hydrosalpinx
reduces in-vitro fertilization/embryo transfer pregnancy rates.
Hum Reprod 1994 May;9(5):861-3
[v]
Correy JF, Watkins RA, Bradfield GF, Garner S, Watson S, Gray G
Spontaneous pregnancies and pregnancies as a result of treatment on an
in vitro fertilization program terminating in ectopic pregnancies or
spontaneous abortions. Fertil Steril 1988 Jul;50(1):85-8
[vi]
Koudstaal J, van Dop P.A., Hogerzeil H.V., Kremer J.A.M., Naaktgeboren
N., Van Os H.C., Tiemessen C.H.J., Visser G.H.A. Beloop en uitkomst
van 2956 zwangerschappen na in-vitro fertilisatie in Nederland. Ned.
Tijdschr. Geneeskd. 1999;
143: 2375-80
[vii]
Hemminki E, Forssas E Epidemiology of miscarriage and its relation to
other reproductive events in Finland. Am J Obstet Gynecol
1999 Aug;181(2):396-401
[viii]
Miller JF, Williamson E, Glue J, Gordon YB, Grudzinskas JG, Sykes A.
Fetal loss after implantation. A prospective study. Lancet
1980 Sep 13;2(8194):554-6
[ix]
Edmonds
DK, Lindsay KS, Miller JF, Williamson E, Wood PJ Early embryonic
mortality in women. Fertil Steril 1982 Oct;38(4):447-53
[x]
Wilcox AJ, Weinberg CR, O'Connor JF, Baird DD, Schlatterer JP,
Canfield RE, Armstrong EG, Nisula BC. Incidence of early loss of
pregnancy. N Engl J Med 1988 Jul 28;319(4):189-94
[xi]
Hakim RB, Gray RH, Zacur H. Infertility and early pregnancy loss.
Am J Obstet Gynecol 1995 May;172(5):1510-7
[xii]
Ellish NJ, Saboda K, O'Connor J, Nasca PC, Stanek EJ, Boyle C. A
prospective study of early pregnancy loss. Hum Reprod 1996
Feb;11(2):406-12
[xiii]
Zinaman MJ, Clegg ED, Brown CC, O'Connor J, Selevan SG. Estimates of
human fertility and pregnancy loss. Fertil Steril 1996
Mar;65(3):503-9
[xiv]
Holman DJ, Rasheed FN, Stroud CM, Brindle E, O'Connor KA, Campbell KL,
A commercial pregnancy test modified for field studies of fetal loss.
Clin Chim Acta 1998 Mar 9;271(1):25-44
[xv]
Holman DJ, Wood JW, and
Campbell KL. (2000) Age-dependent decline of female fecundity is
caused by early foetal loss. Working
paper 00-03, Center for Studies in Demography & Ecology,
University of Washington,
Seattle. (in print)
[xvi]
Wilcox AJ, Weinberg CR, Baird DD Post-ovulatory ageing of the human
oocyte and embryo failure. Hum Reprod 1998 Feb;13(2):394-7
[xvii]
Wilcox AJ, Baird DD, Weinberg CR. Time
of implantation of the conceptus and loss of pregnancy. N Engl J
Med 1999 Jun 10;340(23):1796-9
[xviii]
Bateman BG, Kolp LA, Nunley WC Jr, Felder R, Burkett B. Subclinical
pregnancy loss in clomiphene citrate-treated women. Fertil Steril
1992 Jan;57(1):25-7
[xix]
Coulam CB, Chapman C, Rinehart JS What is a preclinical
pregnancy loss? J Assist Reprod Genet 1998 Apr;15(4):184-7
[xx]
Simon C, Landeras J, Zuzuarregui JL, Martin JC, Remohi J, Pellicer A.
Early pregnancy losses in in vitro fertilization and oocyte donation.
Fertil Steril 1999 Dec;72(6):1061-5
[xxi]
Ezra Y, Schenker JG Abortion rate in assisted reproduction--true
increase? Early Pregnancy 1995 Sep;1(3):171-5
[xxii]
Kremer J.
IVF resultaten, Ref.: www.nvog.nl/?338,
6 juni 1999
[xxiii]
Ribbert LS, Kornman LH, De Wolf BT, Simons AH, Jansen CA, Beekhuis JR,
Mantingh A Maternal serum screening for fetal Down syndrome in IVF
pregnancies. Prenat Diagn 1996 Jan;16(1):35-8
[xxiv]
Munne S, Magli C, Cohen J, Morton P, Sadowy S, Gianaroli L,
Tucker M, Marquez C, Sable D, Ferraretti AP, Massey JB, Scott R
Positive outcome after preimplantation diagnosis of aneuploidy
in human embryos. Hum Reprod 1999 Sep;14(9):2191-9
|
|