![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Effecten van stress op de baring |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
| Prof. dr. G.H.A. Visser, gynaecoloog, Academisch Ziekenhuis Utrecht
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Inleiding Als
een wild paard in partu een wolf in de omgeving opmerkt, dan stopt de
bevalling, om 1 of 2 dagen later in veilige omgeving door te zetten.
Diergeneeskunde studenten kunnen dagen
lang een à terme drachtige merrie observeren, maar deze bevalt
bij voorkeur op een moment dat deze studenten net even pauzeren in een
andere ruimte. Paarden zijn gevoelig voor stress rondom de partus en er
zijn uit vrijwel alle groepen van zoogdieren voorbeelden bekend van
onderdrukking van de baring door emoties. Alle zoogdieren zoeken voordat
zij gaan werpen, een plaats waar ze zich veilig voelen. Dat kan een
juist gebouwd nest, een afgelegen plaats of een plekje te midden van
soortgenoten zijn. Het hangt van de aard van het dier af waar en hoe het
zich veilig voelt. Wordt de rust verstoord, dan blijkt dit te leiden tot
een verlenging van de geboorteduur of zelfs tot een geheel ophouden van
de baring totdat het dier zich weer veilig voelt (1). Meestal komt de
bevalling op gang op het moment dat het dier in rust is (in het nest);
bij de meeste dieren is dit tijdens de nacht en zo ook bij de mens.
Moeder en kind hebben een omgekeerd dag-nacht ritme van
bijnieractiviteit. Als de moederlijke cortisolspiegels het laagste
zijn (rond middernacht) dan is de foetale lichaamsactiviteit het hoogste
en ook de bijnieractiviteit (gemeten aan de concentratie van
dihydroepiandosteron-sulfaat- DHEAS- in het moederlijk bloed). Deze
precursors van oestrogenen verhogen de prikkelbaarheid van de uterus.
Bepaalt de foetus veelal de duur van de zwangerschap, de moeder bepaalt
het tijdstip van de baring en geboorte (2). De
doula Mogelijke
effecten van stress op voortgang en verloop van de baring bij de mens
zijn lang anekdotisch gebleven: het stoppen van de weeën na transport
van huis naar ziekenhuis, een snelle ontsluiting na sedatie en/of
pijnstilling. Meer
overtuigende argumenten voor de effecten van stress - of zo U wilt:
geruststelling en ondersteuning - op het verloop van de bevalling komen
uit de doula literatuur. Ook
continue aanwezigheid van een vrouwelijk familielid leidt tot een betere
uitkomst (7). Omtrent de betekenis van de - continue - aanwezigheid van
de manlijke partner, zoals in ons land te doen gebruikelijk, zijn geen
gegevens voorhanden, hoewel vrouwen de aanwezigheid van hun partner erg
belangrijk vinden (8). Eén onderzoek gaf wel aan dat doulas vaker continue
aanwezig zijn dan de manlijke partner (die er toch vaker even uitloopt)
en zich vaker nabij de vrouw bevinden. Bij pijn en ongemak hadden de
doulas in 95% van de tijd direct contact met de barende (aaien,
masseren, vasthouden), tegenover 20% van de tijd bij de manlijke partner
(9). Mannen zijn anthropologisch gezien nog maar kort betrokken bij de
baring en moeten blijkbaar nog heel wat leren. Etiologie De
associatie tussen acute moederlijke stress en gecompliceerde bevallingen
zou heel wel verklaard kunnen worden door verhoogde catecholamine
spiegels. Bij de mens is aangetoond dat verhoogde catecholamines als
gevolg van stress leiden tot een afname van de uterusactiviteit (10,
11). Bij apen leidt stress bovendien tot een afname van uteriene
doorbloeding en foetale asfyxie (12, 13). Catecholamines nemen af onder
invloed van pijnstilling, zoals epidurale analgesie (14). Eén onderzoek
suggereert lagere catecholamines en een vlottere bevalling na goede
voorbereiding op de baring ("Lamaze" techniek; niet
gerandomiseerd onderzoek 15). Wat
betekenen deze gegevens voor de moderne obstetrie? Geruststelling
en ondersteuning zijn belangrijke voorwaarden voor een vlot verloop van
de baring. Acute stress kan het baringsverloop negatief beïnvloeden
Vertaald naar de moderne verloskunde betekent dit dat de vrouw bij
voorkeur daar moet bevallen alwaar zij zich het meest op haar gemak
voelt. Voor de één betekent dit thuis, voor de ander (poliklinisch) in
het ziekenhuis. Continue aanwezigheid van een niet medische begeleider
is aan te bevelen. Mannen moeten beter op deze begeleidingstaak
voorbereid worden. Hulpverleners - ook verloskundigen - richten zich
vooral op de medische aspecten rondom de bevalling en veel minder op de
ondersteunende aspecten (6, 16); hier lijkt een heroriëntatie op zijn
plaats. Ditzelfde geldt voor de rol van de verpleegkundige. Thornton en
Lilford (17) concludeerden dat de meeste effectieve ingrediënt bij het Active
management of labour (O'Driscoll) niet het breken van de vliezen was,
noch oxytocine-infusie, maar de continue begeleiding van de barende. Dit
vereist voldoende en toegewijde (kraam)verpleegkundigen. De huidige
krapte leidt daarmee ongetwijfeld tot een toename van interventies, of
zoals verwoord door Scott e.a. Het is belangrijk te realiseren dat een drukke verlosafdeling, met veel drukke en rennende hulpverleners, en een uitgeputte echtgenoot naast je bed, behoort tot de meest eenzame ervaringen die een vrouw kan hebben. Rust, aandacht, uitleg en ondersteuning zijn en blijven kernbegrippen in een tijd waarin een toenemend complexe technologie soms de overhand dreigt te krijgen.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Literatuur 2.
Honnebier MBOM. The role of the circadian system
during pregnancy and labour in monkey and man. Acad.
Proefschrift Universiteit Amsterdam, 1993. 3. Sosa R, Kennell JH, Klaus MH, e.a. The effect of a supportive companion on perinatal problems, length of labor and mother-infant interaction. N Engl J Med 1980; 303: 597-600. 4. Klaus MH, Kennell JH, Robertson SS e.a. Effects of social support during parturitionon maternal and infant morbidity. BMJ 1986; 293: 585-587. 5. Kennell J, Klaus M, Mc Grath S e.a. Continuous emotional support during labour in a US hospital. JAMA 1991; 265: 2197-2201. 6. Scott KD, Berkowitz G, Klaus M. A comparison of intermittent and continuoussupport during labour: A meta-analysis. Am J Obstet Gynecol 1999; 180: 1054-1059. 7. Madi BC, Sandall J, Bennett R e.a. Effects of female relative support in labour: a randomized controlled trial. Birth 1999; 26: 4-8. 8. Keirse MJNC, Enkin M, Lumley J. Social and professional support during labour. In: Chalmers, Enkin, Keirse eds. Effective care in pregnancy and childbirth. Oxford Univ Press, Oxford, 1989; 805-814. 9.
Bertsch TD, Nagashima-Whalen L, Dijkeman S e.a. Labour
support by first timefathers: direct observations. J
Psychosom Obstet Gynecol 1990; 11: 251-260. 10. Lederman RP, Lederman E, Work BA e.a. Anxiety and epinephrine in multiparous women in labour: relationship to duration of labour and fetal heart rate pattern. Am J Obstet Gynecol 1985; 153: 870-877. 11. Zuspan FP, Cibils LA, Pose SV. Myometrial and cardiovascular responses to alterations in plasma epinephrine and norepinephrine. Am J Obstet Gynecol 1962; 84: 841-851. 12. Adamsons K, Mueller-Heubach E, Myers RE. Production of fetal asphyxia in the rhesus monkey by administration of catecholamines to the mother. Am J Obstet Gynecol 1971; 109: 248-262. 13. Myers RE. Maternal psychological stress and fetal asphyxia: a study in the monkey. Am J Obstet Gynecol 1975; 122: 47-59. 14. Abboud TK, Sarkir F, Goebelsmann U e.a. Effects of epidural anesthesia during labor on maternal plasma B-endorphin levels. Anesthesiology 1982; 59: 1-5. 15. Delke I, Minkoff H, Grunebaum A. Effects of Lamaze childbirth preparation on maternal plasma beta-endorphin immunoreactivity in active labour. Am J Perinatol 1985; 2: 317-319. 16.
Hemminka E, Virta AL, Koponen P e.a. A trial on
continuous human support during labor: feasibility, interventions
and mothers= satisfaction. J
Psychosom Obstet Gynecol 1990; 11: 239-250. 17. Thornton JG, Lilford RJ. Active management of labour: current knowledge and research issues. BMJ 1994; 309: 366-369. TABEL
1: Begeleiding tijdens de baring
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||