![]() |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Risicoberekening
van foetale chromosoomafwijkingen - wel of niet screening? |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Dr. J.M.G van Vugt, gynaecoloog, AZVU Amsterdam
powerpoint presentatie
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
De
geschiedenis van het alpha-foetoproteine (AFP) testen voert terug tot de
begin jaren 70 in Groot Britannië. Neuraal buisdefecten komen aldaar voor
bij 5 tot 7 per 1000 zwangerschappen. Aanvankelijk was het aantonen van
verhoogde AFP waarden alleen in het vruchtwater in het tweede trimester
van de zwangerschap mogelijk. Tegen het eind van de jaren zeventig werd
het ook mogelijk AFP in het maternale serum (MS AFP) te bepalen. De
associatie tussen een lage AFP in het materale serum en foetale
chromosomale afwijkingen werd het eerst gerapporteerd door Merkatz et al
in 1984. Deze relatie is sindsdien in talloze publicaties bevestigd en
wordt vooral belangrijk gevonden omdat het toen mogelijk bleek met name in
de jongere leeftijdsgroep, namelijk 35 jaar en jonger, ook trisomie 21
foetussen op te sporen door maternaal bloedonderzoek. De
prevalentie van het van het voorkomen van het Down syndroom is 1 op 700.
Er is een duidelijke relatie met de leeftijd van de moeder. Zo is de kans
voor een 25 jarige 1 op 1350 voor het krijgen van een kind met het Down
syndroom en voor een 45 jarige 1 op 30. (Zie Tabel I). Tabel
I: Kans op Down syndroom bij verschillende leeftijdscategorieën.
In
de huidige praktijk van prenatale diagnostiek in Nederland is de vooral de
leeftijd van de aanstaande moeder de indicatie voor het verrichten van
invasieve diagnostiek, zoals de vlokkentest of de vruchtwaterpunctie.
Ongeveer 70% van alle invasieve verrichtingen in Nederland gebeurt vanwege
de gevorderde leeftijd van de aanstaande moeder.
Met de hantering van deze leeftijdsindicatie wordt zon 20% van
de foetussen met Down syndroom opgespoord. Dit betekent dat 80% van de
foetussen met het Down syndroom geboren worden
in de groep vrouwen met een leeftijd van 35 jaar en jonger. Als men
zich realiseert dat de vruchtwaterpunctie een extra risico (0.3%) betekent
voor het verliezen van de zwangerschap, betekent dit dat er één goede
zwangerschap verloren gaat voor het opsporen van 3 foetussen met Down
syndroom. Indien
men het lage MS AFP hanteert als indicatie voor invasieve diagnostiek
wordt ongeveer 25% van de foetussen met een Down syndroom gevonden (zie
Tabel II), maar dan over de gehele leeftijdsgroep van zwangeren. Tabel
II: Detectiegraad van Down syndroom.
*
dit betekent: 200 amniocentesis verrichten om 1 foetus met het Down
syndroom te vinden. **
dit betekent: 50 amniocentesis verrichten om 1 foetus met het Down
syndroom te vinden. Als toevoeging op het lage MS AFP zijn een aantal andere analieten geprobeerd als mogelijke markers in het tweede trimester van de zwangerschap voor chromosomale afwijkingen van de foetus. De twee die het meest bruikbaar bleken te zijn, zijn het humane chorion gonadotrophine (HCG) en het ongeconjugeerde oestriol (µE3). Deze tezamen met het AFP worden de triple-test genoemd. HCG stijgt snel in vroege zwangerschap en om weer te dalen tussen 10 en 20 weken. De tweede trimester HCG waarde is hoger in geval van een trisomie 21 zwangerschap. Het ongeconjugeerde oestriol is een hormoon geproduceerd door de foetale bijnieren, foetale lever en placenta. Normaal stijgt de oestriol waarde in de zwangerschap, echter in geval van een trisomie 21 of 18 daalt de oestriol (zie Tabel III). Bij toepassing van de triple-test in het tweede trimester van de zwangerschap als screening methode voor het opsporen van het Down syndroom, verwacht men 65% van de Down syndroom foetussen te vinden over de gehele leeftijdsgroep (NVOG-standpunt 1997). In dit geval moet men 50 amniocentesis verrichten om 1 foetus met het Down syndroom aan te tonen (zie Tabel II). Tabel
III: De triple-test bij congenitale afwijkingen van de foetus.
Leeftijd
is een belangrijke factor. Naarmate de leeftijd stijgt neemt ook de kans
toe op een kind met een chromosomale afwijking. Leeftijd is ook belangrijk
bij de vraag of de test goed voorspelt. Bij jonge zwangere vrouwen
voorspelt de test vaker fout dan goed. Naarmate de leeftijd vordert wordt
de kans op een correcte voorspelling groter (Zie Tabel IV). Tabel
IV: Kans op goede voorspelling van triple-test naar leeftijdscategorie.
Echter
een nadeel van de tweede trimester triple-test is dat definitieve
diagnostiek door middel van vruchtwaterpunctie pas laat verricht kan
worden (namelijk 17 à 18 weken zwangerschap) en de uitslag van deze test
vaak niet eerder als bij 19 à 20 weken zwangerschap bekent is. Voor
de eerste trimester serum testen zijn wederom verschillende analieten
uitgetest als kans berekening op het voorkomen van het Down syndroom bij
de foetus. De belangrijkste analieten in het eerste trimester zijn het
PAPP-A (pregnancy-associated plasma protein-A) en het vrije ß hCG. In
verscheidene studies wordt duidelijk dat met het gebruik van beide markers
in het eerste trimester van de zwangerschap de detectie graad voor het
Down syndroom ook ongeveer 60 - 65% zal zijn. Men houdt hierbij een vals
positieve ratio aan van 5%. (afkappunt 1 op 250, dit is het laagste risico
op Down syndroom dat als afwijkend wordt beschouwd). Dit betekent dat 5%
van de gescreende vrouwen een vruchtwaterpunctie of vlokkentest moet
ondergaan om de 65% van de foetussen met Down syndroom op te sporen. Deze
resultaten betekenen in ieder geval dat de serum screening voor Down
syndroom vanuit het tweede naar het eerste trimester gehaald kan worden
zonder verlies van sensitiviteit van de test en met het voordeel dat de
test in het eerste trimester van de zwangerschap verricht kan worden. Onlangs
is er een screeningsmethode voor detectie van het Down syndroom ontwikkeld
in het eerste trimester van de zwangerschap, gebaseerd op ultrageluid.
Tussen 10 en 14 weken zwangerschap wordt met hetzij abdominale, hetzij
transvaginale echoscopie de voor-achterwaartse diameter gemeten van de
vochtophoping in de nek regio van de foetus. Deze vochtophoping is beter
bekend als de Nuchal Translucency (NT). Een toegenomen NT dikte is geassocieerd met chromosomale afwijkingen van
de foetus, zoals de trisomie 21, 18, 13, triploïdie en het Turner
syndroom (45 XO) (van Vugt et al, 1996). Bij de foetussen met normale
chromosomen en een NT groter als 3, blijkt er een groter risico te zijn op
o.a. hartdefecten van de foetus. Daarnaast zijn talloze andere afwijkingen
of syndromen beschreven waarbij in het eerste trimester ook een vergrote
NT werd gevonden. In
een onlangs gepubliceerde studie van dezelfde groep onderzoekers, bleek
dat een combinatie van de NT-meting en eerste trimester serum testen nog
betere resultaten te beloven (Spencer et al, 1999). De biochemische
markers die vooral bruikbaar bleken zijn het pregnancy associated
plasma protien A (PAPP-A) en het vrij ß hCG. De sensitiviteit van
de test bedroeg zelfs 89% (zie Tabel V). Tabel
V: Marker combinatie voor eerste trimester Down screening volgens Spencer
et al 1999.
Enerzijds
van belang is natuurlijk hoe goed een test is in het opsporen van de
aandoening, in dit geval het Down syndroom, maar ook wat de vals positieve
ratio is. Hier bedoelen we mee hoeveel onterechte invasieve ingrepen we
moeten doen om de 89% van alle Down syndromen op te sporen. Uit volgende
tabel (zie Tabel VI) blijkt dat als we het maximale willen halen uit een
test, namelijk een sensitiviteit van 90%, van alle gescreende zwangeren er
6% een invasieve ingreep krijgt. Tabel
VI: Vals positieve ratio (%) met verschillende detectie graad voor Down
syndroom (naar Spencer et al 1999.)
Echter
de publicatie van Wald et al. geeft niet aan of er overlap is tussen de
eerste en tweede trimester testen. Kan een hoog uitgevallen eerste
trimester risico gecompenseerd worden door een laag tweede trimester
risico en omgekeerd? Het
toepassen van de geïntegreerde (eerste + tweede trimester) test heeft ook
nadelen van andere aard. De definitieve uitslag van de risico-berekening
is pas beschikbaar vanaf 16 weken zwangerschap. Dit betekent een lange
tijd van onzekerheid alvorens de zwangere een beslissing kan nemen ten
aanzien van het risico-getal en de eventueel daaruit vloeiende
vervolg-diagnostiek. Maar veel meer nog speelt dat als een eerste
trimester test een verhoogd risico aangeeft voor Down syndroom, de vrouw
nog kan kiezen voor een tijdig uitgevoerde vlokkentest en kan kiezen voor
een beëindiging van de zwangerschap d.m.v een curettage. Echter
de nadelen van een eerste trimester test zijn dat men op een tijdstip de
risico test uitvoert waarop er nog een kans is op een spontane abortus van
een afwijkende foetus. Ongeveer 30% dat de foetussen met een chromosomale afwijking bij 12 weken zwangerschap gaan
alsnog spontaan verloren in de resterende zwangerschapstijd tot 40 weken.
Dit betekent dat ouders een moeilijke en emotionele beslissing over
beëindiging of voortzetten van de zwangerschap nemen, die anders spontaan
binnen enkele weken verloren zou gaan. Niettemin
lijkt er toch een voorkeur te gaan bestaan voor eerste trimester testen,
omdat de sensitiveit van de test hoog is in vergelijking met tweede
trimester testen en het de ouders ampel tijd geeft tot het nemen van een
beslissing. Wat
vindt de zwangere eigenlijk van een aanbod tot screening voor Down
syndroom? Tot op heden is slechts marginaal onderzoek gedaan naar wat het
betekent een zwangere een aanbod te doen op screening naar het Down
syndroom in haar zwangerschap. De identificatie van een foetus met
anencephalie m.b.v. ultrageluid biedt de ouders een duidelijke diagnose en
een duidelijke uitkomst van de zwangerschap. Echter een positieve
screeningstest voorziet niet in een diagnose, slechts in een
risico-inschatting. De ouders worden geconfronteerd met een lange tijd van
onzekerheid, wachtend op de uitslag van een cytogenetische analyse. En
zijn de ouders werkelijk gerust bij een negatieve (normaal)
screeningstest? De
Nederlandse praktijk voorziet in aanbieden van invasieve diagnostiek bij
de 36 jarige en ouder en verbied het aanbod te doen voor screening naar
het Down syndroom bij de jongere leeftijdsgroep. Op
1 juli 1996 trad de Wet op het bevolkingsonderzoek (WBO) in werking. Deze
wet voorziet in een vergunningenstelsel en is bedoeld om mensen te
beschermen tegen bevolkingsonderzoeken die een gevaar kunnen vormen voor
de gezondheid. Derhalve is vergunningsplichtig bevolkingsonderzoek
verboden zonder de vergunning van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport. Vergunningsplichtig is bevolkingsonderzoek naar ernstige ziekten
waarvoor geen behandeling of preventie mogelijk is. Afbreking van de
zwangerschap beschouwt de wetgever niet als behandeling of preventie. Onlangs
is een groot bevolkingsonderzoek gestart naar de psychosociale gevolgen,
besluitvorming en risicoperceptie van zwangere vrouwen, die een eerste of
tweede trimester screening op Down syndroom krijgen aangeboden. De
minister heeft voor dit gerandomiseerde onderzoek vergunning verleent
omdat ze er het belang van de volksgezondheid ervan inziet en het project
kan bijdragen aan bijstelling van het beleid voor prenatale screening op
Down syndroom en Neurale buisdefect (Gezondheidsraad: 1999/04WBO). Een
zeer voorlopige conclusie of het wenselijk is Down syndroom screening in
te voeren bij zwangerschap kan worden getrokken uit een onderzoek dat
verricht is in Utrecht. Daaruit kwam naar voren dat als de triple-test een
verhoogd risico aangaf 85% van de zwangeren zonder leeftijdsindicatie
ervoor koos om vruchtwateronderzoek te laten verrichten (van Rijn 1999).
In een onderzoek in Amsterdam gaf een hoog percentage zwangeren (75-80%)
aan geïnformeerd te willen worden over de mogelijkheid van screening op
Down syndroom in hun zwangerschap (de Graaf 1999). Voorzichtigheid is
geboden als invoering van screening mogelijk wordt. Ten alle tijde moet er
ruimte blijven bestaan voor die zwangere die geen screening wenst op Down
syndroom.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||