Osteoporose

 Definitie

 Incidentie van fracturen

 De botmassa

 Risicofactoren

10-jaars risico van een fractuur bij verschillende niveaus van risico 

 Botdensitometrie

 Secundaire osteoporose

 Preventie adviezen

 Medicamenten bij osteoporose

 Anticonceptiva en botmassa

Definitie osteoporose (WHO)

De classificatie van de Wereld Gezondheids Organisatie neemt als uitgangspunt de gemiddelde botdichtheid bij regelmatig menstruerende vrouwen. Dit is de zgn. T-score. De afwijking wordt uitgedrukt in standaarddeviaties (SD).

Botmassa meer dan 1 SD boven het gemiddelde:
    T-score > +1: hoge botmassa

Botmassa tussen 1 SD onder en 1 SD boven het gemiddelde:
    T-score tussen  -1 en +1: normale botmassa

Botmassa meer dan 1 SD maar minder dan 2,5 SD onder het gemiddelde:
    T-score tussen  -1 en -2,5: lage botmassa = osteopenie

Botmassa meer dan 2,5 SD onder het gemiddelde:
    T-score < -2,5: osteoporose

T-score - definitie in tabelvorm  





+1 < T   hoge botmassa
-1 < T < +1 normale botmassa
-2.5 < T < -1 lage botmassa = osteopenie
  T < -2.5 osteoporose
  T < -2.5 en fracturen ernstige osteoporose




 

Referenties: [WHO1994] up

Incidentie van fracturen

Aantal heupfracturen in Nederland per jaar (CBS 1993)

PIC
 

Aantal heupfracturen in Nederland per 100.000 per jaar (CBS 1993)

PIC

Aantal polsfracturen per 100.000 per jaar (CBS 1993).

PIC

Aantal wervelfracturen per 100.000 per jaar (CBS 1993).

PIC

up

De botmassa

Het botmetabolisme is een dynamisch proces van continue botaanmaak en botafbraak.

Voor het 35e levensjaar overheerst in de regel de botaanmaak, daarna gaat de botafbraak overheersen, zowel bij mannen als bij vrouwen. Na de menopauze treedt bij vrouwen een versnelde botafbraak op die samenhangt met het wegvallen van de ovariële oestrogeenproduktie. Daardoor ontstaat bij sommige vrouwen een zodanig botverlies dat er een verhoogd risico op fracturen ontstaat.

Het fractuurrisico wordt bepaald door de actuele botmassa en die is weer afhankelijk van de hoeveelheid bot die maximaal is opgebouwd tijdens pubertijd en adolescentie (de zgn. piekbotmassa) en het verlies dat daarna is opgetreden.

Voor het bereiken van een hoge botmassa zijn naast genetische factoren ook voeding (calcium) en lichaamsbeweging van belang. Alhoewel secundaire factoren (ziekten, medicamenten) in het individuele geval kunnen bijdragen aan botverlies zijn deze factoren op het niveau van de bevolking van ondergeschikt belang.

Veruit de beste voorspellende waarde voor het ontstaan van fracturen heeft de botmassa. Anamnestische risicofactoren zijn van minder belang. Meting van de botmassa kan daarom gebruikt worden voor een eenmalige screening om de vrouwen met een verhoogd risico op te sporen. Toch wordt in de Nederlandse richtlijn het accent op het bestaan van risicofactoren gelegd. In de USA is de leeftijd van 65 jaar (en ouder) een indicatie voor botmassabepaling ook zonder risicofactoren. 

Referenties: [Johnson1989] , [Hui1988a] , [Consensus2002] , [Pols2002] , [Gezondheidsraad1988a] , [ACOG2002]

up

Botmassa en fractuurrisico

Iedere standaarddeviatie verlaging van de botmassa gaat gepaard met een verdubbeling van het fractuurrisico.

Dit blijkt een constant gegeven te zijn ondanks de grote verschillen in meetmethode en plaats van meting in de verschillende onderzoeken.

De spreiding van de botmassa is groot: de hoeveelheid botmassa bij T-1 is 15% lager dan bij T = 0. Met andere woorden 15% daling van de botmassa verdubbelt het fractuurrisico.

Relatie botmassa en heupfracturen

Verdeling botdichtheid bij jonge vrouwen

Percentage vrouwen met osteoporose

Referenties: [Gezondheidsraad1988b] , [Hui1989a] , [Black1992] , [Cummings1993] , [Gardsell1993a] 

up

Relatie botmassa en heupfracturen
 

Risico op een heupfractuur (n = 65) gerelateerd aan de botmassa gemeten aan de heup.

Er is een directe relatie tussen de botmassa aan de heup en de heupfractuur.

PIC

Referenties: [Hui1989b] 

Incidentie van heupfractuur per 1000 vrouwjaren gedurende een follow-up van 2 jaren in relatie tot de botmassa in de femurhals bij vrouwen >75 jaar.


PIC

Referenties: [Schott1998] 

up

Verdeling botdichtheid bij jonge vrouwen  

Verdeling van de botdichtheid bij jonge gezonde vrouwen, 30-40 jaar (de referentie groep voor de T-score).

Per definitie heeft 0,5% van vrouwen tussen 30 en 40 jaar osteoporose en 15% een osteopenie.

PIC

up

Percentage vrouwen met osteoporose in verschillende leeftijdsgroepen.

Osteoporose hebben alle vrouwen met T < -2,5. Dit is het geval bij enkele procenten op 50 jaar en bij 50% op 80 jaar.

PIC

up

Risicofactoren

Het risico op osteoporose is verhoogd bij:

1.  Ziekten, die gepaard gaan met botafbraak:

 hyperthyreoidie - hyperparathyreoidie - hypogonadisme - Cushing syndroom - rheumatoide arthritis - malabsorptie - gastrectomie - ondervoeding - chronische lever- en nierziekten - gebruik van > 7,5 mg corticosteroïden per dag gedurende meer dan een maand.

2.  Hypo-oestrogene status van langere duur:

 premature menopauze (eerder dan 46 jaar), oligo/amenorrhoe.

3.  Overige risicofactoren:

roken (>5 sig/dag) - langdurige bedlegerigheid (>3 maanden) - weinig lichaamsbeweging - langdurig calciumarme voeding - weinig zonlicht - osteoporotische fracturen in familie - laag lichaamsgewicht (Quetelet Index <20).

De botmassa in de perimenopauzale periode heeft een veel hogere voorspellende waarde ten aanzien van het ontstaan van fracturen dan de anamnestische risicofactoren.

Meting van de botmassa kan daarom gebruikt worden voor een eenmalige screening om de vrouwen met een verhoogd risico op te sporen.

Referenties: [Hui1988b] , [Consensus2002b] , [Gezondheidsraad1988c] , [NAMS2002]

up

Oligo- en amenorrhoe bij meisjes en jonge vrouwen

Geslachtshormonen nemen een vooraanstaande plaats in tijdens de opbouwfase van het bot.

Vanaf de menarche is er een sterke stijging van de botmassa bij normaal menstruerende meisjes, terwijl de toename bij het bestaan van een oligomenorrhoe duidelijk achterblijft. Perioden van lage oestrogeenspiegels tijdens de reproductieve jaren, door welke oorzaak dan ook, worden vertaald in een lagere botmassa. Dergelijke perioden moeten dan ook niet te lang duren en daarom wordt oestrogeensuppletie geadviseerd bij oligo- of amenorrhoe. Orale anticonceptiva voldoen uitstekend voor dit doel.

Botverlies ontstaat ook als er ovulatiestoornissen bestaan met een tekort aan progesteron. Dit botverlies kan worden voorkomen door cyclisch progestagenen te geven.

Referenties: [Davies1990] , [Prior1990] , [Prior1994] 

up  

10-jaarsrisico van een fractuur bij verschillende niveaus van risico.

Uit meerdere onderzoeken is een schatting te maken van de fractuurkans gedurende de rest van het leven op verschillende leeftijden. Dit is een tamelijk abstracte bezigheid, omdat een periode van 30-40 jaar moeilijk is te overzien. Praktischer is het om te berekenen welke kans vrouwen hebben op een fractuur in de komende 10 jaar. Na ommekomst van die periode kan dan opnieuw een inschatting gemaakt worden voor de volgende 10 jaren. Met behulp van de gegevens uit Rotterdams onderzoek is door medewerkers van het Institute for Medical Technoogy Assessment een serie berekeningen gemaakt voor het risico op toekomstige fracturen bij de aanwezigheid van een of meer risicofactoren.

Gemiddeld 10-jaars risico voor heup-, wervel- en polsfracturen bij vrouwen.

leeftijd heupfractuur wervelfractuur polsfractuur
50 0,4% 1,3% 3,6%
60 1,5% 4,7% 5,5%
70 4,7% 7,5% 5,7%
80 11,0% 8,8% 4,3%

Voor case-finding kan dit risico verder worden benaderd door de inbreng van een of meerdere risicofactoren. Een aantal relevante risicofactoren zijn geselecteerd om samen een score te vormen.

Berekening van de risicoscore

risicofactor score
fractuur na het 50e levensjaar 1
bestaande wervelfractuur 2
laag lichaamsgewicht (<60 kg) 1
ernstige immobiliteit 1
gebruik van >7,5 mg corticosteroiden 1
RISICOSCORE TOTAAL  

Met behulp van deze risicoscore is het 10-jaarsrisico voor de verschillende osteoporotische fracturen berekend.

10-jaarsrisico van een heupfractuur bij vrouwen voor verschillende risicoscores

  risicoscore
leeftijd 0 1 2 3 4 5
50 0,2% 0,5% 1,0% 1,5% 2,0% 2,5%
60 1,0% 2,1% 4,1% 6,1% 8,0% 9,9%
70 3,0% 5,8% 11,3% 16,4% 21,1% 25,5%
80 5,3% 10,2% 19,1% 26,5% 32,7% 37,4%

10-jaarsrisico van een wervelfractuur bij vrouwen voor verschillende risicoscores

  risicoscore
leeftijd 0 1 2 3 4 5
50 0,9% 1,8% 3,6% 5,4% 7,1% 8,8%
60 3,3% 6,5% 12,5% 18,1% 23,3% 28,1%
70 4,7% 9,2% 17,4% 24,7% 31,1% 36,4%
80 4,2% 8,1% 15,4% 21,8% 27,4% 32,1%

10-jaarsrisico van een polsfractuur bij vrouwen voor verschillende risicoscores

  risicoscore
leeftijd 0 1 2 3 4 5
50 2,5% 5,0% 9,7% 14,3% 18,5% 22,6%
60 3,8% 7,5% 14,3% 20,7% 26,4% 31,6%
70 3,6% 7,0% 13,4% 19,3% 24,7% 29,6%
80 2,0% 4,0% 7,8% 11,5% 14,9% 18,2%

Deze inschatting van het werkelijke risico kan een hulp zijn bij het vaststellen van een indicatie voor medicamenteuze behandeling

Referentie [Consensus2002d]

up 

Botdensitometrie

 Indicaties

 Methoden

 Interpretatie uitslagen

up

Indicaties voor botdensitometrie

A.  Klachten/symptomen van mogelijke osteoporose

B.  Aanwezigheid van risicofactoren

C.  Kalkarmoede van skelet als toevalsbevinding bij Röntgen-onderzoek.

D.  Vervolgonderzoek bij therapie (na >2 jaar behandelen).

E.  Screening

up

Klachten/symptomen van mogelijke osteoporose:

-  Rugpijn, stijfheid

-  Voorafgaande niet-traumatische fracturen (pols, wervel, heup, ribben)

-  Afname lichaamslengte (lengte < armspanwijdte)

-  Vervorming van de wervelkolom (versterkte thoracale kyphose)

-  Percussiepijn op de processi spinosi van de wervels

-  Kleine afstand tussen 12e rib en crista iliaca

-  Uitpuilende buik; dwars over de bovenbuik lopende huidplooi

-  Huidatrofie

Deze klachten/symptomen kunnen wijzen op één of meer wervelfracturen. Voor de bevestiging van de fracturen is Röntgenonderzoek aangewezen. Daarna kan densitometrie volgen zodat evaluering van de behandeling mogelijk wordt.

up

Screening

Vrouwen met een hoge botmassa hebben een gering risico op het krijgen van een osteoporotische fractuur. Zelfs als met medicamenteuze therapie een halvering van dit toch al lage risico zou worden verkregen heeft dit slechts een gering effect op het totaal aantal fracturen in deze groep. Een goed onderbouwd advies over het al dan niet nodig zijn van preventieve maatregelen ter voorkoming van osteoporotische botfracturen staat of valt met een meting van de actuele botmassa omstreeks de tijd waarop de natuurlijke oestrogeen produktie uit de ovaria begint te verminderen.

Referentie [Siris2001]

up

Botdensitometrie methoden

Diverse methoden zijn ontwikkeld om de botmassa te meten. Iedere methode heeft zijn specifieke gebruiksmogelijkheden. SPA en DPA maken gebruik van een radioactieve bron. DXA en QCT zijn röntgentechnieken. Ultrasound maakt gebruik van hoog frequente geluidsgolven.
De voorkeur gaat thans uit naar de DXA gezien de goede reproduceerbaarheid van de uitslagen, doch voor screening kan van alle genoemde technieken gebruik gemaakt worden.

Met ultrasound kan ook inzicht worden verkregen in de botstructuur. Dit is echter nog experimenteel.

Meetplaats: het is gebruikelijk om metingen te verrichten aan de lumbale wervelkolom en aan de heup(en).

Legenda: SPA: Single photon absorptiometrie
  DPA: Dual photon absorptiometrie
  DXA: Dual X-ray absorptiometrie
  QCT: Quantitative computed tomography
  QUS: Quantitatieve ultrasound

up

Interpretatie uitslagen

In de uitslag is vooral de T-score van belang. Vaak is ook een Z-score opgenomen.

T-score: de botdichtheid in standaarddeviaties ten opzichte van de gemiddelde piekbotmassa van een 35-jarige van hetzelfde ras en geslacht.

Z-score: de botdichtheid in standaarddeviaties ten opzichte van het gemiddelde van dezelfde leeftijdsgroep, ras en geslacht.

De plaats van meting (radius, femurhals, wervels) evenals de bepalingsmethode (SPA, DPA, QTC, DXA, QUS) spelen slechts een ondergeschikte rol.

 Wanneer bepalen en hoe te handelen

up

Secundaire osteoporose

Osteoporose kan het gevolg zijn van een van de volgende ziekten en wordt dan secundaire osteoporose genoemd:

-  anorexia nervosa

-  Cushing syndroom

-  hyperthyreoidie

-  hypogonadisme

-  malabsorptiesyndroom

-  hyperparathyreoidie

-  homocysteinurie

-  nierziekte

-  Morbus Kahler

Bij normale laboratoriumwaarden en afwezigheid van een der genoemde ziekten wordt de osteoporose primair genoemd.

Voor het uitsluiten van deze ziekten kunnen de volgende laboratoriumbepalingen nuttig zijn:

-  serum-calcium

-  alkalische fosfatase

-  totaal eiwit + eiwitspectrum

-  kreatinine

-  BSE

-  volledig bloedbeeld + differentiatie

-  calciumexcretie in urine (calcium/kreatinine ratio)

up

Preventie adviezen (Preventie van osteoporose)

De verschillende vormen van preventie zijn:

 primaire preventie:

 - zorgen voor voldoende piekbotmassa

 secundaire preventie:

 - voorkomen van verlies van botmassa

 tertiaire preventie:

 - voorkomen van verder verlies van botmassa en van (nieuwe) fracturen

 Verschillende preventiestrategieën

up

Verschillende preventiestrategieën

Adviezen voor preventie en behandeling van osteoporose lopen nogal uiteen. Men kan een keuze maken uit een aantal mogelijkheden.

 Gezondheidsraad 1998

 National Osteoporosis Foundation 1998

 Royal College of Physicians 1999

 NHG standaard 1999

 CBO consensus 2002

 American College of Obstetricians and Gynecologists 2002 

 B&W strategie 2002

Referenties: [Gezondheidsraad1998] , [Osteoporosis1998] , [GuidelineDevelopmentGroup1998] , [Elders1999] , [Consensus2002c] , [ACOG2002b]

up

Gezondheidsraad 1998

 Personen met een verhoogde fractuurkans moeten herkend worden. Voor deze case-finding zijn de klinische risicofactoren te hanteren.

 Bij een verhoogde fractuurkans zal een botmineraaldichtheidsmeting het beleid mede bepalen.

-  Klinische risicofactoren

-  Indicatie voor botdichtheidsmeting

-  Interpretatie van botdichtheidsmeting

-  Valpreventie

-  Medicamenteuze interventies

Klinische risicofactoren

 Oestrogeendeficiëntie (vroegtijdige menopauze voor het 45e jaar)

 amenorroe (langer dan een jaar)

 primair hypogonadisme

 gebruik van corticosteroïden (>7,5 mg per dag)

 positieve familieanamnese voor osteoporose (vooral heupfractuur bij de moeder)

 eerdere osteoporotische fractuur

 lengteverlies

 body mass index <19

 afwijkingen zoals anorexie, malabsorptie, hyperparathyreoidie, hyperthyreoidie, renale osteodystrophie en Cushing syndroom

 status na orgaantransplantatie, status na maagresectie

 maandenlange immobilisatie

 radiografische aanwijzingen voor het bestaan van osteoporose

Indicatie voor botdichtheidsmeting

Een botdichtheidsmeting is aangewezen als

- aanwezige risicofactoren een verhoogde fractuurkans aannemelijk maken

en

- als de behandelaar overweegt om op de botmineraaldichtheid gerichte medicatie voor te schrijven.

Interpretatie van botdichtheidsmeting

 Mits duidelijke risicofactoren aanwezig zijn, is een behandeling te adviseren bij een T-score <-2,5 tot omstreeks het 75e levensjaar.

 Bij een hogere leeftijd lijkt enige terughoudendheid bij het hanteren van deze drempelwaarde op zijn plaats teneinde overbehandeling te voorkomen.

Valpreventie

 De valkans is een belangrijke determinant van de fractuurkans op hoge leeftijd.

 Beoordeling valkans:

   -  opstaan uit een stoel zonder handen te gebruiken;

   -  omdraaien in staande houding;

   -  gelijktijdig lopen en spreken;

   -  op één been staan.

Medicamenteuze interventies

 Oestrogenen

   -  levenslange toediening wordt nodig geacht voor een verlaging van de fractuurkans op hoge leeftijd.

 Bisfosfonaten

   -  cyclisch etidronaat;

   -  continu alendronaat.

 Nog onvoldoende gegevens over raloxifene, tibolone.

 Calcitonine, fluoride, PTH alleen in kader van een specialistische behandeling of in een experiment.

up

National Osteoporosis Foundation 1998

 De NOF heeft in het rapport modellen gegeven die behulpzaam kunnen zijn voor de beslissing al of niet te behandelen.

 De modellen betreffen uitsluitend de medicatie die in de USA door de FDA is toegelaten voor de preventie en/of behandeling van osteoporose (oestrogenen, calcitonine en alendronaat).

 Een beslissing tot behandeling geldt steeds voor 5 jaar waarna heroverweging nodig is.


Het beleid wordt bepaald door:

 De leeftijd.

 De aanwezigheid van risicofactoren:

   -  een eerdere fractuur na het 40e jaar;

   -  laag lichaamsgewicht (<58 kg);

   -  1e graads familielid met osteoporotische fractuur;

   -  roken.

 De keuze voor bisfosfonaten of oestrogenen.

 De botdichtheid.

up

Diagnose schema NOF 1998:

Start

Eerdere fractuur:

 Ja, eerdere wervelfractuur

 Ja, eerdere niet-wervelfractuur

 Nee


Diagnose schema

Eerdere wervelfractuur

Botdichtheid bekend:

 Ja

 Nee


Diagnose schema

Eerdere wervelfractuur
botdichtheid bekend

Voorgenomen medicatie:

 Oestrogenen

 Bisfosfonaten

Diagnose schema

Eerdere wervelfractuur
botdichtheid bekend
  oestrogenen  

Bij een T-score onder de lijn is een behandeling met oestrogenen gedurende 5 jaar aangewezen, daarna hertesten.


up

Diagnose schema

Eerdere wervelfractuur
botdichtheid bekend
  bisfosfonaten  

Bij een T-score onder de lijn is een behandeling met bisfosfonaten gedurende 5 jaar aangewezen, daarna hertesten.

PIC

up

Diagnose schema

Eerdere wervelfractuur
botdichtheid niet bekend

Voorgenomen medicatie:

 Oestrogenen

 Bisfosfonaten


Diagnose schema

Eerdere wervelfractuur
botdichtheid niet bekend
  oestrogenen

De noodzaak tot het bepalen van de botdichtheid bij vrouwen met een eerdere wervel fractuur, waarbij behandeling met oestrogenen wordt overwogen, is afhankelijk van de aanwezigheid van risicofactoren. 

 In de groene zone geen botdichtheid bepalen en geen behandeling.

 In de blauwe zone botdichtheid bepalen.

 In de rode zone behandeling zonder voorafgaande botdichtheidmeting.

PIC

up

Diagnose schema

Eerdere wervelfractuur
botdichtheid niet bekend
  bisfosfonaten  

De noodzaak tot het bepalen van de botdichtheid bij vrouwen met een eerdere wervel fractuur, waarbij behandeling met bisfosfonaten wordt overwogen, is afhankelijk van de aanwezigheid van risicofactoren.

 In de groene zone geen botdichtheid bepalen en geen behandeling.

 In de blauwe zone botdichtheid bepalen.

 In de rode zone behandeling zonder voorafgaande botdichtheidmeting.

PIC

up

Diagnose schema

Eerdere niet-wervelfractuur

Botdichtheid bekend:

 Ja

 Nee


Diagnose schema

Eerdere niet-wervelfractuur
botdichtheid bekend

Voorgenomen medicatie:

 Oestrogenen

 Bisfosfonaten


Diagnose schema

Eerdere niet-wervelfractuur
botdichtheid bekend
  oestrogenen  

Bij een T-score onder de lijn is een behandeling met oestrogenen gedurende 5 jaar aangewezen, daarna hertesten.

PIC

up

Diagnose schema

Eerdere niet-wervelfractuur
botdichtheid bekend
  bisfosfonaten  

Bij een T-score onder de lijn is een behandeling met bisfosfonaten gedurende 5 jaar aangewezen, daarna hertesten.

PIC

up

Diagnose schema

Eerdere niet-wervelfractuur
botdichtheid niet bekend

Voorgenomen medicatie:

 Oestrogenen

 Bisfosfonaten


Diagnose schema

Eerdere niet-wervelfractuur
botdichtheid niet bekend
  oestrogenen  

De noodzaak tot het bepalen van de botdichtheid bij vrouwen met een eerdere niet-wervel fractuur, waarbij behandeling met oestrogenen wordt overwogen, is afhankelijk van de aanwezigheid van risicofactoren.

 In de groene zone geen botdichtheid bepalen en geen behandeling.

 In de blauwe zone botdichtheid bepalen.

 In de rode zone behandeling zonder voorafgaande botdichtheidmeting.

PIC

up

Diagnose schema

Eerdere niet-wervelfractuur
botdichtheid niet bekend
  bisfosfonaten

De noodzaak tot het bepalen van de botdichtheid bij vrouwen met een eerdere niet-wervel fractuur, waarbij behandeling met bisfosfonaten wordt overwogen, is afhankelijk van de aanwezigheid van risicofactoren.

 In de groene zone geen botdichtheid bepalen en geen behandeling.

 In de blauwe zone botdichtheid bepalen.

 In de rode zone behandeling zonder voorafgaande botdichtheidmeting.

PIC

up

Diagnose schema

Geen eerdere fractuur

Botdichtheid bekend:

 Ja

 Nee

Diagnose schema

Geen eerdere fractuur
botdichtheid bekend

Voorgenomen medicatie:

 Oestrogenen

 Bisfosfonaten


Diagnose schema

Geen eerdere fractuur
botdichtheid bekend
  oestrogenen

Bij een T-score onder de lijn is een behandeling met oestrogenen gedurende 5 jaar aangewezen, daarna hertesten.

PIC

up

Diagnose schema

Geen eerdere fractuur
botdichtheid bekend
  bisfosfonaten

Bij een T-score onder de lijn is een behandeling met bisfosfonaten gedurende 5 jaar aangewezen, daarna hertesten.

PIC

up

Diagnose schema

Geen eerdere fractuur
botdichtheid niet bekend

Voorgenomen medicatie:

 Oestrogenen

 Bisfosfonaten


Diagnose schema

Geen eerdere fractuur
botdichtheid niet bekend
  oestrogenen

De noodzaak tot het bepalen van de botdichtheid bij vrouwen zonder een eerdere fractuur, waarbij behandeling met oestrogenen wordt overwogen, is afhankelijk van de aanwezigheid van risicofactoren.

 In de groene zone geen botdichtheid bepalen en geen behandeling.

 In de blauwe zone botdichtheid bepalen.

 In de rode zone behandeling zonder voorafgaande botdichtheidmeting.

PIC

up

Diagnose schema

Geen eerdere fractuur
botdichtheid niet bekend
  bisfosfonaten  

De noodzaak tot het bepalen van de botdichtheid bij vrouwen zonder een eerdere fractuur, waarbij behandeling met bisfosfonaten wordt overwogen, is afhankelijk van de aanwezigheid van risicofactoren.

 In de groene zone geen botdichtheid bepalen en geen behandeling.

 In de blauwe zone botdichtheid bepalen.

  In de rode zone behandeling zonder voorafgaande botdichtheidmeting.

PIC

up

Royal College of Physicians 1999

Uitgangspunt is de bewijslast uit de literatuur in gradatie A, B of C:

 A: bewijs uit RCT’s (randomised controlled trials);

 B: niet gecontroleerd onderzoek en observationeel onderzoek;

 C: op basis van autoriteit.

 Medicatie voor preventie

 Medicatie voor behandeling

up

Preventie medicatie





Interventie Botdichtheid Wervelfractuur Heupfractuur




Calcium A B B
Oestrogenen A B B
Raloxifene A A -
Etidronaat A - -
Alendronaat A - -




 
       
A: bewijs uit RCT’s (randomised controlled trials)
B: niet gecontroleerd onderzoek en observationeel onderzoek
C: op basis van autoriteit
 

up

Medicatie bij behandeling





Interventie Botdichtheid Wervelfractuur Heupfractuur




Calcium A A B
Oestrogenen A A B
Etidronaat A A B
Alendronaat A A A




 
       
A: bewijs uit RCT’s (randomised controlled trials)
B: niet gecontroleerd onderzoek en observationeel onderzoek
C: op basis van autoriteit
 

up

NHG standaard 1999

 De standaard richt zich op:

   -  patiënten na een osteoporotische fractuur.

   -  patiënten met langdurig tenminste 7,5 mg corticosteroïden per dag.

   -  mensen met vragen over osteoporose zonder klachten.

 Case-finding wordt niet aanbevolen (buiten de corticosteroïde-gebruikers).

 Botdichtheidsmeting uitsluitend wanneer een behandeling met een bisfosfonaat wordt overwogen.

 Algemeen advies:

   -  niet roken;

   -  1000-1200 mg calcium;

   -  goede lichaamsbeweging.

 Valpreventie bij ouderen.

Preventieve medicamenteuze therapie:

 Alleen met alendronaat bij patiënten met een osteoporotische fractuur, en bij corticosteroïde-gebruikers.

 Geen plaats voor oestrogenen of andere medicamenten.

up

CBO consensus 2002

De tweede herziening van de Richtlijn Osteoporose van het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO ziet slechts voor een beperkte groep patiënten een indicatie voor botdichtheidsmeting als case finding. Daarnaast wordt een groot aantal omstandigheden opgesomd waarbij in de tweede lijn, eveneens een botdichtheidsmeting kan worden gedaan, doch dat betreft slechts kleine groepen patiënten.

Case finding

Een botdichtheidsmeting wordt aanbevolen bij vrouwen met:

        Een wervelfractuur
        Een fractuur boven het 50e jaar
        Gebruik van corticosteroiden

Voorts bij vrouwen boven 60 jaar met:

        Een moeder met een heupfractuur  én een gewicht minder dan 67 kg én langdurige immobiliteit.

Bij vrouwen boven 70 jaar is twee van deze drie factoren voldoende.

Behandeling

Het verdient aanbeveling om vrouwen met een of meer wervelfracturen of met een botmassa T < -2,5 en risicofactoren te behandelen met een bisfosfonaat

Mannen en vrouwen die corticosteroiden gebruiken komen eveneens in aanmerking voor bisfosfonaten.

Andere behandelopties worden als onvoldoende bewezen afgewezen door de werkgroep.

up  

American College of Obstetricians and Gynecologist 2002

Botdichtheid bepalen bij

    alle vrouwen van 65 jaar en ouder

    bij postmenopauzale vrouwen jonger dan 65 jaar met een of meer risicofactoren

    bij postmenopauzale vrouwen met een fractuur

 

Medicamenteuze behandeling wordt aanbevolen bij:

    T-score < -2,5

    T-score tussen -2,0 en -2,5 en tenminste 1 risicofaactor

    het optreden van een wervelfractuur ook zonder botdichtheidsmeting.

B&W strategie 2002

Case-finding volgens adviezen Gezondheidsraad 1998.

Bij aanwezigheid van risicofactoren bepalen van de botdichtheid (bij voorkeur met DXA, maar andere methoden kunnen ook).

Medicamenteuze behandeling van ernstige osteoporose primair met bisfosfonaten. 

Preventie in de vroege postmenopauze kan heel goed met oestrogenen, zeker wanneer ook overgangsklachten een rol spelen. Wanneer langdurig oestrogeengebruik ongewenst wordt geacht vanwege het wat hogere risico op borstkanker, is het gebruik van raloxifene een goede voortzetting. 

Raloxifene kan ook zonder voorafgaand gebruik van oestrogenen als preventieve medicatie worden gebruikt bij vrouwen die geen overgangsklachten (meer) hebben. 

Met behulp van de nomogrammen van de National Osteoporosis Foundation bepalen of behandeling gedurende 5 jaar aangewezen is.

Voor raloxifene en tibolone de nomogrammen voor oestrogenen gebruiken.

Na 5 jaar herevaluatie voor een volgende periode van 5 jaar.

 Case-finding Gezondheidsraad

 Nomogrammen NOF

up

Medicamenten bij osteoporose

 Oestrogenen

 Raloxifene 

 Tibolone

 Bisfosfonaten

 Bisfosfonaten + oestrogenen

 Calcitonine

 Calcium

 Vitamine D

 Fluor

up

Oestrogenen

Oestrogenen hebben een sleutelfunctie in de processen die zorg dragen voor een evenwicht in de botbalans en ze beïnvloeden direct osteoblasten (botopbouw) en osteoclasten (botafbraak).

Het precieze mechanisme is nog niet geheel opgehelderd, maar inmiddels is wel duidelijk dat oestrogenen de vorming van cytokinen en andere paracrine stoffen door de osteoblast remmen en daardoor wordt de stimulerende invloed van deze stoffen op de osteoclast eveneens geremd. Voorts stimuleren oestrogenen de vorming van osteoprotegerine. Dit eiwit bindt het RANK-ligand competitief met de RANK-receptor op de preosteoclast. Hoe meer osteoprotegerine, hoe minder RANK-ligand door de preosteoclat gebonden kan worden en hoe minder het aantal osteoclasten is.

Het belang van oestrogenen voor botmassa en fracturen is ook op hoge leeftijd (>65 jaar) vastgesteld.

Lage oestrogeenspiegels zoals die in de perimenopauze voorkomen en een tekort aan oestrogenen in de postmenopauze gaan beide gepaard met een verhoogde botafbraak.

Als, door suppletie van oestrogenen, de oestradiolspiegel weer op premenopauzaal (folliculaire fase) niveau wordt gebracht, wordt deze botafbraak tegengegaan en dat zal tot gevolg hebben dat de botmassa tot in lengte van jaren gelijk blijft of slechts in geringe mate verandert.

Het handhaven van de botmassa op een zo hoog mogelijk niveau is de beste preventie van fracturen. Door vanaf de perimenopauze de oestrogeenspiegel op adequaat niveau te houden bij vrouwen met een verhoogd risico kan dit doel worden bereikt.

Referenties: [Oursler1993] , [Horowitz1993] , [Cummings1998] , [Ettinger1998] , [Stone1998] ,  [Kanis1992] , [Henry1998] , [OConnell1998] , [Macedo1998

Oestrogenen en botmassa

Oestrogenen en preventie van fracturen

Wanneer starten met oestrogenen?

up

Oestrogenen en botmassa

 Het is aangetoond dat tijdens het gebruik van oestrogenen de botmassa niet afneemt gedurende tenminste 5 jaren zowel bij osteopenie als bij osteoporose.

 Dit is het geval zowel wanneer oestrogeentoediening start kort na de menopauze als vele jaren daarna.

 Er is daarbij geen verschil tussen orale en transdermale toediening.

 Bij start oestrogenen meteen na de menopauze blijft de botmassa gelijk.

 Bij start enkele jaren na de menopauze wordt een stijging gezien van de botmassa gedurende 1-2 jaar en daarna een gelijkblijven.

Referenties: [Henry1998b] , [OConnell1998a] , [Macedo1998a] , [Hillard1994] , [Castelo-Branco1999]  

Het gebruik van oestrogenen handhaaft de botmassa gedurende tenminste 10 jaar.
PIC

 Bij start oestrogenen meteen na de menopauze blijft de botmassa gelijk.

 Bij start enkele jaren na de menopauze wordt een stijging gezien van de botmassa gedurende 1-2 jaar en daarna een gelijkblijven.

Referenties: [Lindsay1976] , [Lindsay1980a] , [Al-Azzawi1987] , [Eiken1996] 

Verandering van botmassa bij 10 jaar gebruik van oestrogenen + het progestageen norethisteron (HRT). Continu gecombineerd (ccHRT) geeft betere resultaten dan sequentieel gecombineerd (scHRT).
PIC
Referenties: [Castelo-Branco1993] 


Transdermale oestrogenen zijn even effectief als orale oestrogenen.

PIC
Botmassa gedurende 5 jaar gebruik van orale en van transdermale oestrogenen (zonder progestagenen).

Referenties: [Hillard1994a] 

up

Oestrogenen en preventie van fracturen

 Er zijn slechts enkele placebo-gecontroleerde onderzoeken met fracturen als eindpunt.

 Deze studies zijn naar de huidige maatstaven van matige kwaliteit.

 Epidemiologisch onderzoek wijst op een halvering van het aantal fracturen van wervels en van heup door het langdurig gebruik van oestrogenen.

 De onderzoeken wijzen op een vermindering van alle fracturen met ongeveer 50%, bij zeer langdurig gebruik zelfs tot 73%.

Het verschil in wervelhoogte tussen de groep met 9 jaar oestrogeengebruik en de placebogroep is significant. PIC
Wervelinzakkingen worden voorkomen door oestrogenen na dubbelzijdige ovariectomie.

Referenties: [Nachtigall1979] , [Lindsay1980] , [Lufkin1992] , [Komulainen1998] ,[Grady1992] , [Ettinger1994] , [Mosekilde2000] [Cauley2001] , [Torgerson2001a] , [Torgerson2001b] , [WHI2002]

up

Wanneer starten met oestrogenen?

Continu oestrogeen gebruik vanaf de menopauze houdt de botmassa constant (voorbeeld 1). Na het staken van de oestrogeen suppletie treedt opnieuw botverlies op parallel aan het verlies zonder oestrogeen suppletie (voorbeeld 2). Starten van hormoonsuppletie jaren na de menopauze doet de botmassa met 5-10% toenemen (voorbeeld 3). In deze modellen is de botmassa op 80-jarige leeftijd (de leeftijd van de heupfracturen) gelijk voor de “vroege beginners” en voor de “late starters” (voorbeeld 4).

De sterkte van het bot wordt behalve door de botmassa ook bepaald door de architectuur van het bot. In trabeculair bot gaan botbalkjes definitief verloren en toename van de botmassa bij een latere start met oestrogenen doet deze verloren botbalkjes niet terugkeren. De structuur van het bot blijft dan in negatieve zin veranderd. Op grond hiervan is ondanks het vergelijkbare resultaat op de botmassa oestrogeengebruik in de periode vlak na de menopauze te prefereren boven een latere start.

 Samenvatting van de voorbeelden  

Na staken van de behandeling met oestrogenen treedt geen versneld botverlies op. Het botverlies gaat parallel met het verlies zonder oestrogeensuppletie.

Referentie [Greendale2002]

up

Botmassa bij oestrogeengebruik vanaf menopauze

PIC

up

Botmassa na stoppen oestrogeengebruik

PIC

up

Botmassa bij start oestrogeengebruik later

PIC

up

Botmassa op latere leeftijd (80 jaar) bij vroege en late starters

PIC

up

Samenvatting diverse strategieën oestrogeentoediening
en gevolgen voor botmassa

PIC

up

Raloxifene

 Raloxifene is een SERM: een Selectieve oEstrogeen Receptor Modulator.

 Raloxifene bindt aan beide oestrogeenreceptoren, maar het complex met de alpha-receptor vertoont geen transcriptionele activiteit. Hierdoor mist raloxifene sommige activiteiten van oestrogenen.

 Op bot heeft raloxifene een zelfde werking als oestrogenen.

 Raloxifene is in Nederland beschikbaar als Evista®.

Raloxifene en botmassa

 Raloxifene vermindert de botresorptie. Tijdens het gebruik van raloxifene neemt de botmassa niet af.

 gerandomiseerd onderzoek heeft een looptijd van 3 jaar.

Referenties: [Ettinger1999c] , [Delmas1997] , [Meunier1999]  up

Raloxifene en fracturen

 Raloxifene beschermt tegen wervelfracturen. Dit is reeds in het eerste gebruiksjaar aantoonbaar.

 Een beschermend effect van raloxifene voor niet-wervelfracturen is niet aangetoond.

 Raloxifene bij vrouwen zonder eerdere fractuur

 Raloxifene bij vrouwen met een eerdere fractuur

Referenties: [Ettinger1999d] , [Meunier1999a] , [Maricic2002] up