Hart- en vaatziekten

 Incidentie

 Risicofactoren

 Oestrogenen en risicofactoren

 Oestrogenen en andere markers voor hart- en vaatziekten

  Oestrogenen en incidentie 

 Risicoprofiel

 Preventieve maatregelen/behandelingen

 Oral anticonceptie

Incidentie

Sterfte aan acuut hartinfarct per jaar in Nederland [CBS, 1992].

PIC

Sterfte aan cerebrovasculaire accidenten per jaar in Nederland [CBS, 1992].

PIC

De incidentie van cardiovasculaire ziekte is bij vrouwen na de menopauze tweemaal zo hoog als bij premenopauzale vrouwen van dezelfde leeftijd.  

Jaarlijks aantal vrouwen met cardiovasculaire ziekte.

PIC

Referenties: [Lobo1990] 


De incidentie van cardiovasculaire sterfte is bij vrouwen die oestrogenen gebruiken ongeveer de helft van die bij vrouwen die geen oestrogenen gebruiken.  

Aantal vrouwen met cardiovasculaire sterfte met en zonder oestrogeengebruik.

PIC

Referenties: [Bush1987] 

up

Risicofactoren

 Roken

 Hypertensie

 Overgewicht

 Diabetes mellitus

 Hoog cholesterol

 Premature menopauze

 Weinig lichaamsbeweging

 Familie anamnese
 - 1e graads familielid met hartinfarct (moeder of zus voor 60 jaar, vader of broer voor 50 jaar)

up

Roken

 Rokers hebben een aanmerkelijk hoger risico op hart- en vaatziekten dan niet rokers.

 De grootte van het risico is afhankelijk van het aantal sigaretten.

 Na stoppen vermindert het risico, maar het duurt ongeveer 5 jaar aleer het risico gelijk is geworden aan niet-rokers.

 Vrouwen die roken hebben de menopauze 1-2 jaar eerder dan vrouwen die niet roken.

Referenties: [Willet1987] , [Croft1989] , [Rosenberg1990] , [Baron1990a] 

Relatief risico op een hartinfarct neemt toe met het aantal sigaretten per dag.

PIC

Referenties: [Willett1987] 

up

Hypertensie

 Veelal wordt hieronder verstaan een bloeddruk van 140/90 mm Hg of hoger.

 CBO criteria:

   -  diastolisch:



90-94 mm Hg: hoog-normaal
95-104 mm Hg: lichte hypertensie
105-114 mm Hg: matige hypertensie
115 mm Hg of hoger: ernstige hypertensie


 

   -  systolisch



140-159 mm Hg: hoog normaal
160 mm Hg en hoger: hypertensie


 

 Een hoge bloeddruk is positief en onafhankelijk geassocieerd met het risico op hartinfarct, stroke en sterfte door vaataandoeningen.

 Een daling van de diastolische bloeddruk met 1 mm Hg geeft een reductie van 2-3% in het risico op een hartinfarct.

 Het nut van het verlagen van de systolische bloeddruk staat eveneens vast.

Referenties: [Macmahon1990] , [Collins1990] , [SHEP1991]  up

Overgewicht

 Gewicht als risicofactor voor hart- en vaatziekten moet gezien worden in relatie tot de lengte

 Quetelet Index (QI): gewicht (in kg) / lengte2 (in m) = kg/m2

   -  QI <25 geen risico

   -  QI 25-30 overgewicht

   -  QI >30 obesitas

 een vrouw met een QI van 25 heeft een middelomtrek van ongeveer 80 cm

 een vrouw met een QI van 30 heeft een middelomtrek van ongeveer 88 cm

up

Diabetes mellitus

 De incidentie van coronaire hartziekten is 3-7x hoger bij vrouwen met diabetes mellitus dan bij vrouwen zonder diabetes.

 De belangrijkste risicofactor voor diabetes type II is overgewicht.

 Er zijn geen goede gegevens over de mate waarin het handhaven van een normoglycaemie de incidentie van het hartinfarct beïnvloedt.


De incidentie van hartinfarct bij vrouwen en mannen met diabetes mellitus is veel hoger dan zonder diabetes.

PIC

Referenties: [Witteman1994] 

up

Hoog cholesterol

Totaal cholesterol:

 <5 mmol/l (192 mg/dl): normaal

 5,0-6,2 mmol/l: licht verhoogd

 6,3-8,0 mmol/l: matig verhoogd

 >8,0 mmol/l: ernstig verhoogd

 1% daling van de totale cholesterolspiegel geeft een risicovermindering voor hart- en vaatziekten van 2-3%

 

Totaal cholesterol en sterfte aan coronaire hartziekten bij vrouwen van 45-64 jaar.  

PIC

 Percentage vrouwen met een totale cholesterol concentratie boven een bepaalde waarde. De totale cholesterol spiegel stijgt met de leeftijd.  
PIC

  Totaalcholesterol en LDL-cholesterol zijn na de menopauze significant hoger dan daarvoor na correctie voor leeftijd. HDL-cholesterol en triglyceriden veranderen niet significant met de menopauze.  
PIC

LDL-cholesterol

 Cholesterol wordt in het bloed voor 70% vervoerd door LDL.

 LDL vervoert cholesterol van de lever naar de perifere weefsels.

 Hoge LDL-concentraties liggen ten grondslag aan de vorming van atherosclerotische plaques. Het proces van atherosclerose wordt vooral bevorderd door geoxideerd LDL.

 LDL wordt verwijderd uit het lichaam via de LDL-receptor.

HDL-cholesterol

 De HDL concentratie is omgekeerd evenredig met het risico op hart- en vaatziekten. Een hoog HDL beschermt.

 HDL neemt cholesterol op uit de vaatwand voor transport naar de lever, alwaar afbraak en uitscheiding plaatsvindt.

 Een laag HDL gecombineerd met hoge LDL en hoge triglyceriden gaat gepaard met een sterk verhoogd risico.

 een verlaging van HDL met 0,1 mmol/l geeft een risicoverhoging met 15-20%.

Totaal cholesterol / HDL ratio

 de Consensus Cholesterol van het CBO hanteert als parameter voor risico de verhouding tussen totaal cholesterol en HDL.

 totaal cholesterol/HDL ratio <5:  gering risico.

 totaal cholesterol/HDL ratio 5-7: matig risico.

 totaal cholesterol/HDL ratio >7: hoog risico.

Triglyceriden

 Triglyceriden worden met de voeding opgenomen, getransporteerd naar de weefsels en daar afgebroken door het lipoproteinelipase tot vrije vetzuren, die vervolgens dienen als energiebron.

 Verhoogde triglyceriden zijn een onafhankelijke risicofactor voor hart- en vaatziekten, speciaal bij lage HDL-concentratie.

 Bij een triglycerideconcentratie vanaf 20 mmol/l bestaat een verhoogd risico op pancreatitis.

Referenties: [Hokanson1996] , [Consensus1998f] , [Castelli1986] , [Brunner1987] , [Ververs1992]

up

Premature menopauze

 De levensverwachting van vrouwen met de menopauze voor de leeftijd van 47 jaar is korter dan bij vrouwen met de menopauze op 47 jaar en later en deze verkorting is recht evenredig met het aantal jaren dat de menopauze eerder optreedt. Voor vrouwen met de menopauze vanaf 47 jaar is er geen verband meer tussen de menopauze-leeftijd en het overlijden.

 Vrouwen met een premature menopauze hebben een groter risico op hart- en vaatziekten. Ook uit Nederlands onderzoek komt deze relatie naar voren. Ieder jaar dat de menopauze eerder komt (voor 46 jaar), stijgt het hartinfarctrisico met 2%.

Referenties: [Snowdon1990] , [Lindquist1982] , [Snowdon1989] , [VanderSchouw1996a] , [Ossewaarde2002]

Een vroege menopauze voor de leeftijd van 47 jaar gaat gepaard met een kortere levensverwachting dan een menopauze op 47 jaar of later.  

PIC

Referenties: [Snowdon1990a] 

Een vroege menopauzeleeftijd gaat gepaard met een toename van de kans op hart- en vaatziekten.  

PIC

Referenties: [VanderSchouw1996]  

De levensverwachting is hoger wanneer de menopauze later komt.

Referentie [Ossewaarde2002a]

up

Weinig lichaamsbeweging

 Lichaamsbeweging geeft bescherming tegen hart- en vaatziekten.

 Lichaamsbeweging heeft onder meer een gunstige invloed op gewicht, op HDL, op triglyceriden concentratie, op aggregatie van bloedplaatjes.

 Een actief leefpatroon geeft in verhouding tot een zittend leven een risicovermindering op hart- en vaatziekten van 35-55%.

Referenties: [Berlin1990c] ,[Manson1992] 

up

Familie anamnese

 Een positieve familie-anamnese van hart- en vaatziekte op jonge leeftijd is een belangrijke risicofactor.

 Onder jonge leeftijd wordt in dit verband verstaan een moeder of zuster met hart- en vaatziekte voor de leeftijd van 60 jaar of een vader of broer voor de leeftijd van 50 jaar.

up

Oestrogenen en risicofactoren

 Roken

 Hypertensie

 Overgewicht

 Diabetes mellitus

 Hoog cholesterol

 Premature menopauze

up

Invloed van roken op oestrogenen

 Het mechanisme van de anti-oestrogene werking van roken is nog onduidelijk.

 Vermoedelijk speelt een directe toxische invloed van nicotine op de follikels een rol, naast een remming van het enzym aromatase.

 Bij postmenopauzale orale oestrogeen toediening speelt een veranderd metabolisme een rol: van de verschillende mogelijkheden gaat de omzetting naar 2-hydroxy-oestrogenen overwegen. En deze metabolieten zijn minder actief dan de 16-hydroxy-oestrogenen.

 Bij rooksters zijn orale oestrogenen dan ook minder effectief.

Referenties: [Baron1990b] , [Michnovicz1986] , [Jensen1985] , [Kiel1992]  

Oestradiol spiegels bij orale en transdermale therapie in relatie tot roken: bij orale therapie is er significant minder oestradiol bij rooksters. Bij transdermale toediening is er geen verschil.  
PIC

Referenties: [Baron1990c] 

Gemiddelde oestradiolspiegels bij ccHRT 2 mg E2/dydrogesteron: effect van roken.  
PIC

Referenties: [Valkderoo1997] 

Invloed van roken op de vermindering van de bot-turnover bij ccHRT 2 mg E2/dydrogesteron. TAP = totale alkal fosf; BAP = bot alkal fosf.
PIC

De lagere oestradiolspiegels bij rooksters gaan gepaard met een hogere botturnover dan met dezelfde hormoon medicatie bij niet rooksters.

Referenties: [Valkderoo1997a] 

up

Oestrogenen en hypertensie

 Anticonceptiepil

 Postmenopauzale hormoonsuppletie

up

Pil en bloeddruk

orale anticonceptiva met ethinyloestradiol geven gemiddeld een geringe verhoging van de bloeddruk (systolisch 5 mm Hg, diastolisch 2 mm Hg), doch ook ernstige verhogingen zijn beschreven.

Referenties: [Kaplan1988] 

up

Bloeddruk en postmenopauzale oestrogenen

 Van postmenopauzaal toegediende oestrogenen (geconjugeerde oestrogenen of oestradiol) is incidenteel beschreven dat er een bloeddruk verhoging kan optreden. In één onderzoek betrof dit 2 van 49 vrouwen.

 In alle gecontroleerde onderzoeken met oestrogeen suppletie verandert de bloeddruk niet of er wordt een kleine daling gezien.

 Dit is het geval zowel bij normotensieve vrouwen als bij vrouwen met hypertensie en zowel bij orale als bij transdermale toediening.

Referenties: [Crane1971] , [Notelovitz1975] , [Utian1978a] , [VanIttersum1998] , [Szekacs2000] , [Lip1994] , [Sands1997] , [Manhem1998] , [Affinito2001] , [Vongpatanasin2001]

Het bloeddrukverlagende effect van oestrogenen. In de controlegroep wordt een stijging van de systolische en van de diastolische bloeddruk gezien, terwijl beide tijdens HRT dalen  
PIC

Referenties: [Grobbee1988a] 

Mechanismen van het bloeddrukverlagende effect van oestrogenen

 De gewichtstoename rond en na de menopauze speelt ook een rol bij de bloeddrukverhoging die in die periode wordt gezien. De gunstige invloed van oestrogenen op het gewicht en de gewichtsverdeling heeft hierbij betekenis.

 Oestrogenen zijn vaatverwijders, waarschijnlijk via een calcium-antagonist effect.

 Orale oestrogenen verhogen het renine substraat; transdermale oestrogenen doen dit niet. Op de verandering van de bloeddruk blijkt dit verschil geen invloed te hebben.

Referenties: [Grobbee1988b] , [Collins1993] , [Hassager1987] 

Vergelijking oestrogenen en antihypertensiva

 180 vrouwen 12-18 maanden na de menopauze met lichte of matige hypertensie werden gerandomiseerd naar HRT (96) of antihypertensiva (84).

 In de HRT groep normaliseerde de bloeddruk bij 41 vrouwen (42,7%), in de antihypertensiva groep bij 61 vrouwen (72,5%).

 De 23 vrouwen die niet normaliseerden in groep II kregen vervolgens HRT. Bij 10 van hen normaliseerde vervolgens de bloeddruk (43,5%).

Referenties: [Amoroso1996] 

up

Oestrogenen en gewicht

 De invloed van de menstruatiecyclus

 De invloed van de menopauze

 Gewichtsstijging rond de menopauze

 Gewichtsstijging met hormoon suppletie 

 Lichaamsvetverdeling

up

De invloed van de menstruatiecyclus op het lichaamsgewicht

 In de folliculaire fase van de menstruatiecyclus bestaat er een voorkeur voor zoet smakende stoffen en is er een verminderde trek in vet.

 In de luteale fase is er juist een sterkere trek in vet en ook een hogere vetconsumptie.

 Deze verschillen zijn meer uitgesproken bij vrouwen met een overgewicht dan bij slanke vrouwen.

 De energie nodig voor het basaalmetabolisme is hoger in de luteale fase dan in de folliculaire fase (onder invloed van progesteron?)

Referenties: [Lovejoy1998a] 

up

De invloed van de menopauze op het lichaamsgewicht

 In de perimenopauze is er een toename van de voedselopname met 100 kcal/dag.

 de gemiddelde hoeveelheid lichamelijke activiteit wordt minder.

 het basaalmetabolisme vergt minder energie dan tevoren.

 Tezamen geeft dit een positieve energiebalans van bijna 300 kcal/dag.

Basaalmetabolisme en menopauze  

longitudinaal onderzoek. Bij vrouwen die van pre- naar postmenopauzaal gingen verminderde de energie voor het basaalmetabolisme met 420 kJ per dag.

PIC

Referenties: [Lovejoy1998b] , [Poehlman1995] 

up

Gewichtsstijging rond de menopauze

Gewichtsstijging van premenopauzale vrouwen 42-50 jaar bij begin studie (regelmatige cyclus aan begin en eind studie).

PIC

Gewichtsstijging van perimenopauzale vrouwen 42-50 jaar bij begin studie (bij begin studie regelmatige cyclus, aan einde studie cylus 3-11 maanden).
PIC

Gewichtsstijging van postmenopauzale vrouwen 42-50 jaar bij begin studie (regelmatige cylus aan begin studie, postmenopauze aan einde).
PIC

In de leeftijdsgroepen 42-50 jaar (aan begin studie) neemt het gewicht toe onafhankelijk van de menopauze.  
PIC

Referenties: [Wing1991d] 

up

 

Gewichtsstijging onder hormoonsuppletie

Onder hormoonsuppletie, zowel met oestrogenen alleen als met oestrogenen + progestagenen wordt geen gewichtsstijging gezien, of een mindere gewichtsstijging dan in controlegroepen.  

Gewichtstoename bij postmenopauzale vrouwen in de PEPI-trial: in de placebogroep is de gewichtstoename groter dan in de groep met oestrogenen 

PIC

Analyse van alle randomised controlled trials waarin ook het gewicht voor en na een jaar hormoonbehandeling is gemeten laat zien dat er noch met oestrogenen alleen (ERT), noch met oestrogenen+progestagenen (HRT) een stijging van het gewicht gezien.  De Cochrane meta-analyse toont een niet significante gewichtsdaling met HRT van 470 gram en een niet significante gewichtsstijging van 660 gram met ERT.

Referenties: [Espeland1997] , [Norman2001]

up

Lichaamsvetverdeling

 Premenopauzale vrouwen slaan vet voornamelijk perifeer op (femoraal vet). In de postmenopauze verschuift dit naar het abdominale vet (zoals bij mannen).

 Dit komt door een vermindering van de lipoproteine-lipase activiteit in femorale adipocyten en een verlies van lipolyse activiteit in abdominaal- en borstvet.

 Een abdominale vetophoping is geassocieerd met een verhoogd risico op cardiovasculaire ziekte en op borstkanker.

 Bij vrouwen met oestrogeentherapie treedt deze verschuiving van femoraal vet naar abdominaal vet niet op.

 Exogene toediening van androgenen aan vrouwen doet het abdominale vet toenemen.

Referenties: [Lovejoy1998d] , [Rebuffe-Scrive1986] , [Lovejoy1996] 

Energiebehoefte, lichamelijke activiteit en cardiovasculaire ziekte

Geleidelijk aan is er minder energie nodig en kort na de menopauze neemt de behoefte nog verder af.

PIC
Referenties: [Lovejoy1998e] 

up

Oestrogenen, progestagenen en diabetes mellitus

 Een verminderde insuline gevoeligheid (dus een toegenomen insuline resistentie) is beschreven bij ethinyloestradiol (de pil) en bij het gebruik van hoge doses geconjugeerde oestrogenen, maar wordt niet gevonden bij 17ß-oestradiol.

 Progestativa hebben een verschillend effect op de insuline resistentie: 

-  van medroxyprogesteronacetaat (MPA) en norgestrel zijn ongunstige effecten gerapporteerd;

-  norethisteron daarentegen heeft geen effect op de insuline resistentie. 

Al met al is er nog onvoldoende bekend voor een gedegen oordeel en advies.

 Transdermaal toegediende oestrogenen en progestagenen hebben een gunstig effect op de insuline spiegels.

Referenties: [Stevenson1998] , [Godsland1996] , [Godsland1993] , [Troisi2000]

up

Oestrogenen en lipiden

 Oestrogenen stimuleren de aanmaak van LDL-receptoren in de lever. De LDL-concentratie daalt daardoor.

 Oestrogenen remmen het leverlipase. Hierdoor wordt de afbraak van HDL belemmerd. Daarnaast wordt de aanmaak van HDL gestimuleerd. De HDL-concentratie stijgt hierdoor.

 Oestrogenen stimuleren de aanmaak van triglyceriden in de lever. Dit kan bij vrouwen met een stoornis in de triglyceridenstofwisseling aanleiding geven tot hypertriglyceridemie en tot pancreatitis.

Progestagenen en lipiden

Combinatie oestrogenen en cholesterolverlager

Referenties: [Hoogerbrugge1997] 

Procentuele verandering in lipidenspectrum bij gebruik van 0,625 mg geconjugeerde oestrogenen of 2 mg oestradiolvaleraat gedurende een behandeling van 3 jaar.  
PIC

Bij transdermale toediening van oestrogenen zijn de daling van het LDL en de stijging van het HDL minder uitgesproken. Triglyceriden, die stijgen met orale oestrogenen, dalen met transdermale oestrogenen. 

Referenties: [Huovinen1990a] , [Huovinen1992a] , [Godsland2001

up

Progestagenen en lipiden

 De meeste progestagenen hebben een ongunstig effect op het lipidenprofiel tegengesteld aan het effect van oestrogenen.

 Progestagenen alleen worden gebruikt voor het bereiken van een therapeutische amenorroe en voor anticonceptie.

 Bij de combinatie van oestrogenen en progestagenen is het van belang om het verschil te zien ten opzicht van oestrogenen alleen.

up

Progestagenen alleen

 Lynestrenol en norethisteron voor het bereiken van een therapeutische amenorroe geven een aanzienlijke verlaging van het HDL (en van de HDL/LDL ratio). In een retrospectief onderzoek bleek dit gepaard te gaan met een significant hogere sterfte.

 Depo-provera geeft eveneens een verlaging van het HDL, maar veel minder sterk dan norethisteron.

 Ook Norplant (norgestrel) veroorzaakt een daling van de HDL/LDL ratio.

 Er zijn op dit moment nog onvoldoende gegevens over Implanon (etonogestrel) om het effect op de lipiden te beoordelen.

Referenties: [Huovinen1990b] , [Huovinen1992b] , [Huovinen1988a] , [Huovinen1991] , [Kremer1980] , [UNDP1999] 

up

Combinatie van oestrogenen en progestagenen

 Cyclisch progestagenen bij continu oestrogenen

 Continu progestagenen bij continu oestrogenen

 Transdermale versus orale oestrogenen en lipiden

up

Cyclisch progestagenen bij continu oestrogenen

Het effect van cyclisch progestagenen bij continu oestrogenen ten opzichte van oestrogenen alleen.







  Progesteron MPA NET LNG Dydro
  200 mg 10 mg 1 mg 0,15 mg 10 mg






HDL -2% -6% -10% -14% +10%
LDL 0 +7% +10% +6% -12%






MPA: medroxyprogesteronacetaat, NET: norethisteron
LNG: levonorgestrel, Dydro: dydrogesteron
 

De verhoging van de triglyceriden wordt met NET en LNG ongedaan gemaakt, met MPA en Dydro niet.

Referenties: [Huovinen1990c] , [Huovinen1988b] , [Rijpkema1990] , [Godsland2001a]

up

Continu progestagenen bij continu oestrogenen

Het effect van continu progestagenen bij continu oestrogenen ten opzichte van placebo





  MPA NET Dydro
  10 mg 1 mg 10 mg




HDL +2% +0% +11%
LDL -12% -18% -16%
trigl +5% 0% +22%




MPA: medroxyprogesteronacetaat, NET: norethisteron
LNG: levonorgestrel, Dydro: dydrogesteron
 

Referenties: [Huovinen1990d] , [Huovinen1992d] , [Huovinen1988c] , [Godsland2001b]

up

Transdermale versus orale oestrogenen en lipiden

 Transdermale oestrogenen geven geen verhoging van de triglyceriden. De verandering van LDL is bij beide benaderingen gelijk. De verandering van de HDL concentratie hangt bij de vele onderzoeken nauw samen met het tevens gebruikte progestageen en de toedieningweg daarvan.

 Transdermaal oestradiol + transdermaal norethisteron geeft dezelfde veranderingen van de lipiden als transdermaal oestradiol alleen.

Referenties: [Erenus1994a] , [Crook1992] , [Godsland2001c]

up

Combinatie oestrogenen en cholesterolverlager op lipidenspectrum  

Een combinatie van oestrogenen en een cholesterolverlager geeft een gunstiger profiel dan beide therapieen afzonderlijk bij vrouwen met een hypercholesterolemie.

PIC

Referenties: [Davidson1997] 

up

Oestrogenen en andere markers voor hart- en vaatziekten

 Lipoproteine (a)

 Homocysteine

 CRP

 Oxydatie van LDL

 Endotheelfunctie

 Stolling

 Albuminurie

up

Lipoproteine (a)

 Lp(a) is een sterk atherogeen lipoproteine dat tevens thrombogeen is door zijn sterke gelijkenis met plasminogeen.

 Oestrogenen geven een daling van de Lp(a) concentratie. Orale toediening geeft een sterkere daling dan transdermale toediening of raloxifene. Toevoegen van progestagenen (vooral norethisteron) versterkt dit effect nog. Ook met tibolone wordt een sterke daling van Lp(a) gezien.

 Andere lipidenverlagende medicatie heeft geen invloed op Lp(a).

Referenties: [Mijatovic1997] , [Godsland2001d]

up 

Homocysteine

 Een hoge homocysteine concentratie is een onafhankelijke risicofactor voor atherosclerose en voor trombose.

 De homocysteine concentratie is na de menopauze hoger dan daarvoor.

 Oestrogenen gecombineerd met dydrogesteron verlagen de homocysteine concentratie in serum, vooral bij vrouwen met verhoogde concentraties. In een ander onderzoek bij vrouwen met normale homocysteine concentraties bleken noch orale oestrogenen, noch transdermale oestrogenen (beide cyclisch gecombineerd met norethisteron) de concentraties te veranderen.


Placebogecontroleerd onderzoek met HRT (continu gecombineerd 0,625 mg geconjugeerde oestrogenen + 2,5 mg medroxyprogesteronacetaat) en raloxifene.

Referenties: [Wouters1995] , [Mijatovic1998] , [Walsh2000a] , [VanBaal1999b] , [Evio2000] , [Smolders2002]

up

CRP

 C-reactief proteine: CRP.

 C-reactief proteine is een onafhankelijke risicofactor voor hart- en vaatziekten.

 Oestrogenen verhogen de concentratie van CRP.


Placebogecontroleerd onderzoek met HRT (continu gecombineerd 0,625 mg geconjugeerde oestrogenen + 2,5 mg medroxyprogesteronacetaat) en raloxifene.

Referenties: [Walsh2000b] , [DeValk-deRoo1999] , [VanBaal1999a] , [Skouby2002]

up   

Oxydatie van LDL

 Oxydatie van LDL door vrije zuurstof radicalen speelt een belangrijke rol bij de pathogenese van atherosclerose.

 Alle oestrogenen werken als antioxydantia. De progestagenen norethisteron, norgestrel en medroxyprogesteronacetaat hebben hierop geen invloed.

Referenties: [Witztum1994] , [McManus1996] , [Weigratz1996] , [Schroder1996] 

up

Endotheelfunctie

 Oestrogenen zijn vaatverwijders. De productie van de vaatverwijder NO door het endotheel wordt gestimuleerd en de productie van de krachtige vaatvernauwer endotheline wordt geremd.

 Ook andere parameters van de endotheelfunctie verbeteren met oestrogenen.

Referenties: [Collins1994] , [Wingrove1997] , [VanBaal1999c] , [Cid2002]

up

Stolling

 Stolling is een balans tussen stollings-bevorderende en stollingswerende stoffen.

 Oestrogenen veroorzaken een verschuiving van de balans in de richting van verhoogde stollingsneiging.

 Transdermale oestrogenen hebben geen invloed op stollingsparameters.

Referenties: [VanBaal2000] , [Scarabin1997] , [Kemmeren2002]

up  

Albuminurie

Microalbuminurie is geassocieerd met een toegenomen kans op nierziekte en cardiovasculaire ziekten.

Een retrospectieve case-control studie in Groningen vond tweemaal zo vaak microalbuminurie (30 tot 300 mgr per 24 uur) zowel bij gebruiksters van orale anticonceptiva als bij postmenopauzale hormoon suppletie. 

Referentie [Monster2001]

up

Oestrogenen en incidentie van hartziekten

 Inleiding

 Oestrogenen en incidentie van hartziekten

up

Inleiding

Epidemiologie

 Alle observationele studies laten een daling zien van de incidentie van hart- en vaatziekten bij gebruiksters van oestrogenen in vergelijking tot niet-gebruiksters.

 Dit effect wordt voor ongeveer 25% toegeschreven aan de veranderingen in de cholesterolhuishouding, voor het overige aan onder meer de directe invloed van oestrogenen op de bloedvaten.

 Een meta-analyse toont een vermindering van 35% bij ooit gebruik van oestrogenen en van 47% bij huidig gebruik.

 Het maximale effect wordt bereikt na enkele jaren oestrogeengebruik. Na staken van de therapie verdwijnt het effect weer.

Referenties: [Grodstein1998a] , [Heckbert1997a] 

De afname van het aantal hartinfarcten is afhankelijk van de duur van de oestrogeentherapie. Bij langere therapieduur is het effect het beste.  

PIC

Referenties: [Heckbert1997b] 

up

Oestrogenen en incidentie van hartziekten

 Selectiebias

 Resultaten van de grootste prospectieve cohort studies (primaire preventie)

   -  Uppsala studie

   -  Nurses Health Study

   -  Puget Sound Study

   -  Gerandomiseerd placebogecontroleerd onderzoek naar primaire preventie van oestrogenen en hart- en vaatziekten

   Secundaire preventie

   -  Gerandomiseerd placebogecontroleerd onderzoek naar secundaire preventie van oestrogenen en hart- en vaatziekten

 up

Selectiebias 

 Het verminderde risico op hart en vaatziekten dat gevonden wordt in observationeel onderzoek zou deels verklaard kunnen worden doordat vrouwen die hormoonsuppletie gebruiken so wie so meer aandacht hebben voor vele aspecten van gezondheid,waardoor een gunstige selectie heeft plaats gevonden.

 Echter dezelfde risicoreductie wordt ook gevonden in onderzoek bij vrouwen met aanwezige risicofactoren voor hart- en vaatziekten.

Referenties: [Postuma1994] , [Barrett1991] , [Sturgeon1995] , [Matthews1996] , [Grodstein1998b] 

Reductie van hartziekte door oestrogenen in de aanwezigheid van diverse risicofactoren (oranje) in vergelijking met oestrogenen zonder de risicofactor (groen). Deze resultaten maken selectiebias in de studie onwaarschijnlijk.

PIC

Referenties: [Grodstein1998c] 

up  

Uppsala studie  

De reductie van het risico op een hartinfarct wordt gezien met zowel oestrogenen alleen als met oestrogenen en de cyclische toevoeging van het (voor lipiden ongunstige) progestageen norgestrel.

PIC

Referenties: [Falkeborn1992b] 

up

Nurses Health Study  

De reductie van het risico op een hartinfarct wordt gezien met zowel oestrogenen alleen als met oestrogenen en de cyclische toevoeging van medroxyprogesteronacetaat.


De vermindering van het risico op hart- en vaatziekten met hormoon suppletie wordt gezien met alle gebruikelijke doseringen.

   Coronaire hartziekte



Dosis geconjugeerde oestrogenen RR (95% CI)-gecorrigeerd voor leeftijd RR (95% CI)-gecorrigeerd voor 
leeftijd en andere risicofactoren
Geen 1,0 1,0
0,3 mg 0,46 (0,29-0,72) 0,58 (0,37-0,92)
0,625 mg 0,44 (0,35-0,54) 0,54 (0,44-0,67)
>/=1,25 mg 0,62 (0,45-0,84) 0,70 (0,51-0,97)




Referenties: [Grodstein2000a] 

up

Puget Sound Study  

De reductie van het risico op een hartinfarct wordt gezien met zowel oestrogenen alleen als met oestrogenen en de cyclische toevoeging van medroxyprogesteronacetaat.

PIC

Referenties: [Psaty1994b] 

up  

Gerandomiseerd placebogecontroleerd onderzoek naar primaire preventie van oestrogenen en hart- en vaatziekten

EPAT

In een gerandomiseerd placebogecontroleerd onderzoek met 17ß-oestradiol bleek de dikte van de wand van de arteria carotis (een maat voor subklinische atherosclerose) bij de placebogroep meer toe te nemen dan bij de oestrogeengroep. Een andere groep vond weer geen verschil in deze parameter aan de arteria femoralis.

Women’s Health Initiative

 Dit is een gerandomiseerde placebo-gecontroleerde interventiestudie die antwoord moet geven op de vraag of oestrogenen daadwerkelijk het risico op hart- en vaatziekten verlaagd (en of fracturen worden voorkomen en of er echt vaker borstkanker wordt gezien).

 68135 vrouwen zijn opgenomen in de gerandomiseerde clinical trials en 93726 in de observationele poot van het onderzoek.

 De resultaten van deze primaire preventie trial werden pas verwacht in 2006. Echter een deel van de resultaten is reeds in 2002 gepubliceerd vanwege onverwachte ongunstige effecten

 In het Women's Health Iniative worden meerdere gerandomiseerde trials uitgevoerd. De trial waarbij 0,625 mg geconjugeerde oestrogenen dagelijks gecombineerd met 2,5 mg medroxyprogesteronacetaat (8506 deelneemsters) getest werd tegen placebo (8102 deelneemsters) is na een gemiddelde follow-up van 5,2 jaren stopgezet omdat de veronderstelde gunstige effecten op hart- en vaatziekten niet werden gezien en er daarentegen juist meer hart- en vaatziekten voorkwamen. Tevens was er een significante verhoging van de incidentie van mammacarcinoom bij de groep met hormoon suppletie. Weliswaar betreft het absoluut gezien slechts kleine aantallen, maar voor primaire preventie van hart- en vaatziekten is althans deze combinatie niet inzetbaar.

Relatief en absoluut risico of voordeel in de oestrogeen+progestageen arm van de WHI

gezondheidsgebeurtenis relatief risico t.o.v. placebo verhoogd absoluut risico per 10.000 vrouwen per jaar verhoogd absoluut voordeel per 10.000 vrouwen per jaar
hartinfarct 1,29 7  
beroerte 1,41 8  
borstkanker 1,26 8  
trombose/embolie 2,11 18  
colorectale kanker 0,63   6
heupfractuur 0,66   5

De andere armen van de trial gaan verder, waaronder de vergelijking van oestrogenen alleen met placebo bij vrouwen zonder baarmoeder. In deze arm zijn nog onvoldoende voor- of nadelen geconstateerd die het stoppen van het onderzoek rechtvaardigen.

Referenties: [McGowan2000b] , [Angerer2002] , [Hodis2001] , [WritingGroup2002]

up

Secundaire preventie

Oestrogenen na een hartinfarct

Meerdere observationele onderzoeken wijzen op een gunstig effect van oestrogenen ook na het doormaken van een hartinfarct.

Vrouwen met een ernstige coronaire stenose hebben met oestrogenen een veel betere overlevingsprognose dan zonder oestrogenen. Vrouwen zonder stenose hebben geen voordeel van het gebruik van oestrogenen.

PIC

Referenties: [Sullivan1990]  

Ook in de Nurses' Health Study wordt gezien dat gebruiksters van oestrogenen (en van een oestrogeen/progestageen combinatie) 35% minder vaak een tweede infarct krijgen dan niet hormoon gebruiksters.

Wanneer vrouwen onder hormoon suppletie een hartinfarct doormaken blijkt de sterfte lager te zijn dan bij niet- hormoongebruiksters.

Referenties [Grodstein2001Letter] , [Shlipak2001]

up
Gerandomiseerd placebogecontroleerd onderzoek naar secundaire preventie van oestrogenen en hart- en vaatziekten

Observationeel onderzoek geeft duidelijke aanwijzingen voor bescherming tegen een hartinfarct door het gebruik van oestrogenen. Hierop is een gerandomiseerde placebogecontroleerde studie gestart bij vrouwen die een hartinfarct hebben gehad met het oogmerk na te gaan of met hormoongebruik de incidentie van een recidiefinfarct afnam (HERS). Het hormoongebruik in deze studie was een continue combinatie van 0,625 mg geconjugeerde equine oestrogenen en 2,5 mg medroxyprogesteronacetaat.

In dit onderzoek werd echter geen verbetering gezien bij hormoon gebruik gedurende 4,1 jaar. In het eerste jaar was de sterfte bij de hormoongroep zelfs hoger. Pas bij langer gebruik lijkt er een gunstiger effect op te treden. Echter in de verlenging van dit onderzoek tot 6,8 jaar blijkt dit lange termijn effect toch niet te bestaan. Voor de gehel periode is er geen verschil in het aantal nieuwe infarcten tussen hormoongevbruiksters en placebo.

Een tweede onlangs gepubliceerd onderzoek (ERA: Estrogen Replacement and Atherosclerosis) lijkt de bevindingen van HERS te bevestigen.

 Voor secundaire preventie (bij een bestaand hartlijden na de menopauze) lijkt er geen indicatie voor preventieve oestrogeentherapie.

Referenties: [Grodstein1998d] , [Hulley1998a] , [Herrington2000a] , [Grady2002] , [Hulley2002]

Secundaire preventie. De sterfte in het eerste jaar is bij oestrogeengebruik hoger, pas in latere jaren wordt een vermindering gezien van het aantal hartinfarcten door oestrogeengebruik (die bij voortgaand onderzoek in het 6e en 7e jaar niet verder doorzet). 

PIC

Referenties: [Hulley1998b] 

ERA-studie

In een gerandomiseerd onderzoek bij vrouwen met een bewezen hartziekte (angiographisch bevestigde vernauwing van een coronair arterie) werd geen verschil gezien in de verandering van de diameter van de coronaire vaten bij behandeling gedurende 3,2 jaar met geconjugeerde equine oestrogenen (CEE), CEE met continu 2,5 mg MPA (medroxyprogesteronacetaat) of met placebo ondanks veranderingen in de lipiden volgens verwachting.



Referenties: [Herrington2000b] 

up

Risicoprofiel voor hart- en vaatziekten

 Practisch model in huisartspraktijk ter herkenning van individuen met een verhoogd beïnvloedbaar risico

 Consensus Cholesterol CBO

 Oestrogenen en levensverwachting in relatie tot risicoprofiel

 Beslismodel specifiek met het oog op preventieve oestrogeen therapie

up

Risicoprofiel beïnvloedbaar risico: scoor de 6 items en tel de scores op. Bij een score van 8 of hoger wordt actie aanbevolen.







 Bloeddruk      Cholesterol    
  - systolisch 140 0   5,0 0
  140-160 1   5,1-6,4 3
  161-200 2   6,5-8,0 5
  200 4   8,0 7
           
  - diastolisch 90 0  Roken (aantal sigaretten)    
  91-110 1   0 0
  111-120 2   1-10 1
  120 4