Definities
Het onregelmatig worden van de menstruatiecyclus is één van de kenmerkende verschijnselen van de overgang.
De definities van menopauze, peri- en postmenopauze zijn alle gerelateerd aan veranderingen in het cycluspatroon.
Perimenopauze / overgangsjaren
Deze indeling wordt niet door iedereen geschikt gevonden. Vooral het begrip climacterium is slecht gedefinieerd en daarom moeilijk bruikbaar. Een nieuwe classificatie wordt thans ontwikkeld:
Indeling volgens nieuwe classificatie

Referenties: [WHO1996] , [Uti1999] up
De overgang: de levensfase van de vrouw waarin verschijnselen van een sterk wisselende oestrogeen productie pregnant naar voren komen; meestal in de vorm van cyclusveranderingen en het krijgen van opvliegers en daarmee samenhangende klachten (moeheid, labiliteit).
Veranderingen in maatschappelijk opzicht, binnen de familie en in de visie van de vrouw op het leven en de verwachtingen daarvan kunnen de overgangsjaren en de beleving daarvan beïnvloeden. up
Perimenopauze / overgangsjaren
Levensfase waarin duidelijke cyclus- en menstruatie veranderingen optreden, al dan niet tezamen met vasomotore klachten, en waarbij nog geen jaar amenorrhoe bestaat.
De premenopauze is de levensfase voorafgaande aan de menopauze. In onderzoeksprotocollen wordt onder de premenopauze meestal verstaan de levensfase waarin het menstruatiepatroon nog niet is veranderd. Met de verandering van het menstruatiepatroon vangt dan de perimenopauze aan.
De laatste bloeding uit het endometrium als gevolg van een natuurlijke endogene hormonale invloed uit het ovarium.
De natuurlijke menopauze is slechts retrospectief te stellen na een amenorroe van een jaar.
Het begrip "menopauze" wordt in het dagelijks taalgebruik nogal eens verkeerd gebruikt, waarbij dan zowel de perimenopauze als de postmenopauze kan zijn bedoeld. Dit wordt vooral veroorzaakt door de foutieve, vooral in Amerika gebruikelijke, benaming "menopauzale vrouwen" en "menopauzale klachten" waar vrouwen in de overgangsjaren en overgangsklachten wordt bedoeld.
Levensfase na de menopauze.
Omdat de menopauze pas retrospectief na een jaar amenorroe kan worden vastgesteld, valt het eerste jaar van de postmenopauze onder het begrip perimenopauze. up
Indeling volgens nieuwe classificatie
Dit nieuwe concept om de bestaande terminologie rondom de overgangsjaren te ordenen wijkt niet veel af van de definities die de International Menopause Society eerder heeft geformuleerd. Wel is nu ook de premenopauzale periode in de omschrijving betrokken. De nieuwe classificatie begint bij de menarche en eindigt bij het overlijden. Belangrijke componenten bij deze nieuwe indeling zijn het menstruatiepatroon, de vruchtbaarheid, FSH bepaling en het klachtenpatroon.
Menstruatiepatroon: Met de menarche vangt stadium –5 (teruggerekend vanaf de menopauze) aan. Het duurt enkele jaren voordat de cyclus regelmatig wordt met menstruaties iedere 21-35 dagen (stadium –4 en –3). De cyclus blijft nog regelmatig in stadium –2 (de vroege fase van de overgang), maar de cycluslengte wordt in die periode beduidend korter dan eerder het geval was. Stadium –1 wordt gekarakteriseerd door cyclus onregelmatigheid met langere periodes van amenorroe (tenminste 60 dagen) en door het overslaan van minstens 2 menstruaties. Met de laatste menstruatie (menopauze) vangt de postmenopauze aan. De hoeveelheid bloedverlies tijdens de menstruatie is geen variabele bij deze indeling vanwege de grote mate van variabiliteit.
Laboratoriumonderzoek: een verhoogd FSH gemeten tussen cyclusdag 2 en 5 is de eerste meetbare verandering van de reproductieve veroudering en markeert de grens tussen de piek van de reproductieve periode en de late fase daarvan. Daarna blijft de FSH-spiegel hoog, hoewel hoge oestradiolspiegels deze kunnen verlagen. Er zijn geen grenswaarden voor FSH die onderscheidt kunnen maken tussen de stadia –3 tot +1.
Vruchtbaarheid:de vruchtbaarheid neemt af van stadia –4 tot –1. Hoewel de tekst er geen melding van maakt is de vruchtbaarheid in stadia –2 en –1 zo gering dat deze overgangsfase (menopausal transition) niet meer tot de reproductieve periode wordt gerekend. Dit is in overeenstemming met de opvatting dat de vruchtbaarheid tot 0 is gereduceerd omstreeks 10 jaar voorafgaande aan de menopauze. Omdat de vruchtbaarheid voor een individu onmogelijk is vast te stellen, vormt vruchtbaarheid geen factor in dit classificatiesysteem.
Klachtenpatroon: Overgangsklachten worden gerapporteerd in stadia –3 tot +2. Echter sommige vrouwen hebben nooit overgangsklachten. De klachten zijn voornamelijk subjectief van aard en daarom buiten de classificatie gehouden. Typische overgangsklachten komen het meest voor in de stadia –1 en +1.
De verdeling van de postmenopauze in een vroege fase (de eerste 5 jaren) en een late fase (de rest van het leven) is relevant omdat in de vroege postmenopauze nog sprake kan zijn van enige ovariële activiteit. Dit is ook de periode van versneld verlies van botmassa. In de late postmenopauze is alle oestrogeenproductie uit de ovaria gestopt.
Referentie: [Soules2001]