Trombose
Relatie oestrogenen en veneuze trombose:
Placebo-gecontroleerd
onderzoek
Vrouwen
met eerdere trombose of met een belaste familie-anamnese
Referenties: [Greer1999b]
up
Epidemiologie
Trombose wordt bij gebruik van
oestrogenen 2-3x vaker gezien dan bij vrouwen
zonder oestrogeen therapie. Bij tamoxifen en raloxifene worden vergelijkbare
resultaten gevonden.
De risicoverhoging bestaat vooral tijdens
de eerste maanden van de therapie.
Relatief risico op trombose bij gebruik van oestrogenen (controlegroep
RR = 1).
Referenties: [A0718d] ,
[A0717d] , [A0719d] , [Guthann1997a] , [VarasLorenzo1998a] , [Fisher1998] , [Ettinger1999]
up
Placebo-gecontroleerd
onderzoek
In placebo-gecontroleerde
onderzoeken blijkt in de oestrogeen groep het trombose risico
hoger dan in de placebo groep.
De PEPI trial betrof vrouwen van 45 tot
64 jaar (gemiddeld). Bij de oestrogeengebruiksters werd 10x de diagnose veneuze trombose gesteld en in
de placebogroep 0x.
De HERS trial betrof vrouwen van 44 tot
79 jaar (gemiddeld 67 jaar). In de groep met oestrogenen werd 2,7x zo vaak veneuze trombose gezien als in de
placebogroep. In tegenspraak met de epidemiologische gegevens
wordt bij deze groep, wat oudere, vrouwen de risicoverhoging
gezien gedurende alle 4 jaren van de studie en niet alleen in het
eerste jaar. In de verlenging
van de HERS-studie tot 6,8 jaar was het verschil niet meer significant, hetgeen
weer wijst op een vroeg effect.
In het Women’s Health Initiative (vrouwen van
50-79 jaar, gemiddeld 62 jaar) was het risico 2,11x zo groot als in de
placebogroep. Dit zijn dan 18 gevallen van trombose per 10.000 vrouwen per jaar
meer dan met placebo.
up
Risico in
absolute getallen
De kans op een trombose is klein zelfs
bij het bestaan van een trombofilie. Een twee of drievoudige
risicoverhoging betekent dan ook, in absolute aantallen, een
minieme verhoging.
In observationeel onderzoek blijkt het
absolute risico op trombose tijdens oestrogeengebruik 1,3-2,3
gevallen per 10 000 vrouwen per jaar.
In de HERS studie die vrouwen van
gemiddeld 67 jaar betrof die een hartinfarct hadden doorgemaakt
werden 39 extra incidenten van trombose ten gevolge van
oestrogeengebruik per 10 000 vrouwen gerapporteerd.
Referenties: [Jick1996] , [Daly1996] , [Guthann1997] , [VarasLorenzo1998] , [Grady2000e]
up
Betrokken
mechanismen
De onderliggende mechanismen zijn nog
onbekend.
Oestrogenen bevorderen de coagulatie,
maar versterken ook de fibrinolyse. Het evenwicht tussen deze
systemen bepaalt de kans op trombose. Orale oestrogenen geven een
sterkere toename van stollingsfactoren dan transdermale
oestrogenen.
De progestagenen gestodeen en desogestrel
geven een hogere trombosekans dan norgestrel en norethisteron
althans bij de anticonceptiepil.
Congenitale trombofilie door deficiënties
van antithrombine III, Proteine S of Proteine C komt voor bij 0,2-0,5%
van de bevolking. Bij vrouwen met veneuze trombose is dit 10%.
Factor V Leiden mutatie komt voor bij 5%
van de bevolking en in 20-60% bij patiënten met trombose.
Referenties: [Rosing1999] , [Cano2001]
De anamnese moet gericht zijn op het voorkomen van trombose in de anamnese van de vrouw zelf of van haar familie. Er is geen reden om te screenen op potentiele trombofilie indien de anamnese daar geen aanleiding toe geeft. Het risico op trombose bij een blanco anamnese is immers zeer gering bij een relatief frequent voorkomen van afwijkingen in het stollingsonderzoek.
up
Vrouwen met
eerdere trombose of met een belaste familie-anamnese
Bij deze vrouwen is het raadzaam om voor
de start van oestrogeen therapie na te gaan of er een
onderliggende afwijking is in het stollingssysteem. Dit kan door
dossier onderzoek indien in het verleden reeds onderzoek is gedaan
of door een selectieve screening (zie tabel).
Wanneer geen afwijkingen worden gevonden
kunnen oestrogenen (en progestagenen) worden voorgeschreven. Er
bestaat hierbij een theoretische voorkeur voor transdermale
therapie.
Bij gevonden afwijkingen zal een grondige
afweging van voor- en nadelen moeten bepalen of oestrogeen
therapie aangewezen is. Specialistisch advies is daarbij
verstandig.
Tabel: Onderzoek naar potentiele trombofilie
| - APTT en PT |
| - Antithrombine III activiteit |
| - Proteine C activiteit |
| - Proteine S activiteit |
| - APC (geactiveerd proteine C) resistentie |
| - Lupus anticoagulans |
| - Anticardiolipine antilichamen |
| - Bij abnormale APC-resistentie: Factor V Leiden bepalen |
up
HRT en
electieve chirurgie
HRT is een risicofactor voor
postoperatieve trombose.
De gebruikelijke tromboseprofylaxe dient
te worden toegepast.
Er is geen reden om de oestrogenen te
stoppen voorafgaande aan de operatie.
Referenties: [Grady2000f]