Hoofdstuk 3 Cyclusstoornissen in de overgang
De basis
|
|
|
|
Tabel 3-I: Menstruele cyclusstoornissen |
|
Te vaak bloedverlies (polymenorroe): perioden
van vaginaal bloedverlies optredend met regelmatige tussenpozen van minder
dan 22 dagen |
|
|
|
Tabel 3-II: Bloedingstoornissen |
|
Teveel bloedverlies (menorrhagie): overmatig
vaginaal bloedverlies (>80 ml) bij een regelmatige menstruatie |
De theorie
In de overgangsjaren valt het
ontregelen van de menstruele cyclus samen met een verhoogd risico op ziekten
van het voortplantingsorgaan. Met een beter begrip van de normale fysiologie
van deze natuurlijke overgangsfase en door betere mogelijkheden bij het stellen
van de diagnose, moet een dokter in staat zijn om het verschil te bepalen
tussen vaginale bloedingen veroorzaakt door variaties van de normale menstruele
cyclus en vaginale bloedingen als teken van ziekten van het geslachtsorgaan.
Veel verschijnselen en klachten, die in het algemeen gebonden zijn aan de jaren
na de menopauze (laatste spontane menstruatie) kunnen al tot uiting komen in de
overgangsjaren vóór de menopauze. Hiertoe behoren opvliegers, nachtelijke
transpiratieaanvallen en vaginale droogheid - klachten, die toegeschreven
worden aan oestrogeentekort en vandaar mogelijk genezen door hormoonbehandeling
[1].
Tezamen met de bestaande menstruele cyclusstoornissen moet rekening gehouden
worden met het volledige klachtenpatroon in de overgang, als er een optimale
beleid voor medische behandeling ontwikkeld wordt [2].
Normale variatie van de menstruele cyclus in de overgangsjaren
De vrouwelijke
voortplantingscyclus is gebaseerd op cyclische wisselwerking van hormoonafgifte
door de hypothalamus (belangrijk hersencentrum), hypofyse (hersenaanhangsel)
eiwit hormonen FSH (follikel stimulerend hormoon) en LH (luteiniserend hormoon)
en de geslachtshormonen uit de eierstokken 17ß-estradiol (oestrogeen) en
progesteron (vrouwelijk geslachtshormoon).
Het eerste proces in de overgangsjaren vindt plaats in de eierstok als een
geleidelijke afname en uiteindelijk ophouden van de voortplanting- en hormonale
functies [3].
Veranderingen van FSH spiegels gaan ongeveer 10 jaar vooraf aan de
veranderingen van de menstruele cyclus [4]. In de vroege fase van de eicelrijping in de
menstruele cyclus beginnen FSH-spiegels in het bloed te stijgen vanaf de
leeftijd van ongeveer 35 jaar. Via deze geleidelijke stijging van de werking
van de hypothalamus/hypofyse worden de eierstokken gestimuleerd tot
eicelrijping en de 17ß-estradiolafgifte. De menstruele cyclus en 17ß-estradiol-
en progesteronspiegels blijven over het algemeen onveranderd tot aan halverwege
de veertiger jaren. Daarna kan de menstruatiecyclus - tijdelijk - langer worden
als gevolg van onvolledige eicelrijping, hetgeen resulteert in een verminderde
werking van het corpus luteum (geelkleurig lichaam in eierstok dat overblijft
na de eisprong) en onvoldoende progesteronaanmaak. Perioden van langere cycli,
soms begeleid door hevig en langdurig bloedverlies wisselen af met perioden
waarin het voorafgaande menstruele bloedingpatroon terugkomt.
Langzamerhand, worden er
steeds meer cycli gekenmerkt door een oestrogeen afgifte, die onvoldoende is om
een voor een eisprong noodzakelijke LH-piek teweeg te brengen in het midden van
de cyclus, maar voldoende om het baarmoederslijmvlies te stimuleren tot groei.
Afwezigheid van een groei-beperkend effect van progesteron leidt tot een
onevenwichtige structuur van het baarmoederslijmvlies, dat gemakkelijk
uiteenvalt en aanleiding geeft tot vaginaal bloedverlies variërend van zeer
licht bloedverlies tot perioden met zeer hevige bloedingen [5].
Tenslotte hebben als gevolg van het uitblijven van de eisprong, perioden zonder
bloedingen de overhand als de menopauze nadert. De menopauze geeft het einde
van de menstruele cyclusstoornissen aan. De leeftijd waarop de meeste vrouwen
de menopauze bereiken in de Westerse wereld is 51 jaar (spreiding 39-59 jaar);
de duur van de perimenopauze (periode rond de menopauze met cyclusveranderingen
tot 1 jaar na de laatste menstruatie) is gemiddeld 5 jaar (spreiding 1-9 jaar)
[6]. Fig.
3-I laat de percentages van de lengte van de menstruele cyclus zien zoals
vastgesteld door Treloar [6].

Fig. 3-I: Percentages van de duur van de menstruele cyclus volgens Treloar [6]; leeftijd (in jaren) op de horizontale as, menstruele cyclus duur (in dagen) op de verticale as (aangeduid zijn P5, P25, P50, P75 en P95. a: jaren na de eerste menstruatie; b: chronologische leeftijd; c: jaren voor de laatste menstruatie. Aangepast volgens Evers JLH, Heineman MJ. Gynaecologie. Een klinische atlas. Utrecht: Bunge, 1989; met vriendelijke toestemming van de uitgever.
Lichamelijke oorzaken voor abnormale bloedingen in de overgangsjaren
In het algemeen doen
cyclusafwijkingen zoals polymenorroe, oligomenorroe en amenorroe stoornissen
vermoeden in de hormonale regeling, terwijl metrorragie en tussentijdse
bloedingen in verband staan met een organische ziekte (plaatselijke aandoening
in het genitaalstelsel) of met bloeding-, lichamelijke of hormonale stoornissen
(Tabel 3-III).
|
Tabel 3-III: Ziekte-oorzaken voor vaginaal bloedverlies tijdens de overgangsjaren |
|
|
Ziekten van de genitaliën |
Lichamelijke stoornissen |
|
Goedaardig |
bijnierstoornis |
|
inscheuren uitwendige genitaliën |
schildklierstoornis |
|
poliep baarmoederhals |
leverstoornis |
|
ontsteking baarmoederhals |
nierfunctiestoornis |
|
poliep baarmoederslijmvlies |
Bloedziekten |
|
overmatige groei baarmoederslijmvlies |
ziekte van von Willebrand |
|
vleesboom uit glad spierweefsel baarmoeder |
gebrek aan stollingsfactoren II,V,VII,X,XI |
|
aanwezigheid van baarmoederslijmvlies op plaatsen waar dit niet hoort (endometriose) |
leukemie |
|
Kwaadaardig |
gebrek aan bloedplaatjes |
|
kanker uitwendige genitaliën / vagina |
Medicatie/ door medisch handelen |
|
kanker baarmoederhals |
stollingremmers |
|
kanker baarmoederslijmvlies |
behandeling met geslachtshormoon |
|
Ziekten vroeg in zwangerschap |
spiraaltje |
|
windei |
chemotherapie |
|
buitenbaarmoederlijke zwangerschap |
medicatie tegen epilepsie |
|
dreigende miskraam |
scheiding van afvalstoffen uit bloed d.m.v. kunstnier (hemodialyse) |
|
onvolledige miskraam |
|
|
ziekte van het weefsel dat voor voeding van bevruchte eicel zorgt |
|
Ziektebeelden van de genitaliën
Ziektebeelden van uitwendige
genitaliën, vagina en baarmoederhals
Aandoeningen van de uitwendige genitaliën, vagina en baarmoederhals zijn geen
weinig voorkomende oorzaken van vaginaal bloedverlies in de overgangsjaren.
Alle aandoeningen die bloedverlies van de uitwendige genitaliën of van de
vagina veroorzaken, zouden beschouwd moeten worden als kwaadaardig totdat het
tegendeel bewezen is na weefselonderzoek.
De meest gewone goedaardige oorzaak voor een abnormaal bloedingpatroon zijn poliepen van de baarmoederhals; slechts zelden geven baarmoederhalsinfectie (Chlamydia) of abnormale cellen van de baarmoederhals vaginaal bloedverlies. Men moet blijven bedenken, dat zelfs al zijn poliepen ontdekt bij vrouwen met abnormaal bloedverlies, er nog steeds afwijkingen van het baarmoederslijmvlies kunnen zijn als een primaire of aanvullende bron van bloedverlies. De piek van voorkomen van het woekerende kankergezwel van de baarmoederhals (squameuse cel carcinoom) valt samen met de overgangsjaren; het dient daarom in alle gevallen van vaginaal bloedverlies uitgesloten te worden. Onderzoek van de vagina en baarmoederhals, tezamen met een uitstrijkje van de baarmoederhals, is aan te bevelen als een deel van de routineonderzoeken in de evaluatie van abnormale vaginale bloedingen.
Ziektebeelden van de
baarmoeder
Vleesbomen van de baarmoeder worden bij ongeveer 30% van alle vrouwen in
de overgang gevonden [7]. Vleesbomen in de bindweefsellaag, aangrenzend gelegen aan het
baarmoederslijmvlies, zijn in het algemeen de onderliggende oorzaak van
abnormaal bloedverlies uit de baarmoeder. Bloedverlies wordt veroorzaakt ofwel
direct door onderbreking van het baarmoederslijmvlies ofwel indirect door
beïnvloeding van de vaatvoorziening en vandaar dat het baarmoederslijmvlies in
staat is om te reageren op hormonale stimulatie. Gesteelde vleesbomen in de
bindweefsellaag komen tevoorschijn in de baarmoederholte op een steel en hebben
de neiging om gemakkelijk te bloeden, vooral als deze uitpuilen in de
baarmoederhals.
De piek van voorkomen van overmatige groei van het baarmoederslijmvlies wordt gezien in de leeftijdgroep van 40-50 jaar en van kanker van het baarmoederslijmvlies in de leeftijdgroep van 50-70 jaar. Een uitgebreide beschouwing van de oorzaak en diagnose valt buiten het terrein van dit overzicht (zie ook Hoofdstuk 20 - Baarmoederslijmvlies controle).
De diagnose van adenomyose (baarmoederslijmvlies op plaatsen in baarmoeder, waar het niet hoort) wordt in het algemeen gesteld als andere ziektebeelden uitgesloten zijn en de arts abnormaal bloedverlies vindt samen met pijn en een gevoelige vergrote baarmoeder. Slechts ongeveer de helft van de adenomyose diagnoses die voor de operatie gesteld zijn, worden door een patholoog bevestigd, een feit dat de problemen benadrukt welke naar boven kunnen komen bij de vaststelling of adenomyose een oorzakelijke factor is of eenvoudig een niet-gerelateerde bevinding [8].
Stoornissen vroeg in de
zwangerschap
De vruchtbaarheid neemt snel af bij vrouwen in de overgang, maar als er een
zwangerschap optreedt, is het waarschijnlijk dat deze complicaties tot gevolg
heeft. Bij de leeftijd van 45 jaar is het voorkomen van een spontane miskraam
bijna 50%. Een vrouw met abnormaal bloedverlies en een positieve hCG-test
(zwangerschapstest) moet worden beschouwd een abnormale zwangerschap te hebben.
Echografie en herhaling van hCG testen kunnen bij verdere evaluatie helpen.
Lichamelijke stoornissen
Abnormaal vaginaal
bloedverlies wordt in het algemeen gemeld door vrouwen met een hormonale
(schildklier, bijnier, hypofyse) stoornis alsook lever- en nierziekte, maar een
verband is niet bewezen [9]. 50% van de vrouwen met een te traag werkende schildklier klagen
over hevige menstruele bloedingen. Lever- en nierziekte kunnen het metabolisme
of de uitscheiding van geslachtshormonen beïnvloeden. Een afname van
geslachtshormoon bindend eiwit leidt tot verhoogde spiegels van vrij estradiol
(oestrogeen), hetgeen dan weer overmatige groei van het baarmoederslijmvlies en
bloedverlies bevordert.
Ook wordt gedacht dat stoornissen in de bloedstolling het bloedverlies
vergroten. Stoornissen van de bloedplaatjes (trombocytopenie) eerder dan
stollingstoornissen zijn bij deze gevallen betrokken.
Gevolgen van medisch handelen / medicatie
Vrouwen die geslachtshormonen gebruiken (b.v. de pil (combinatiepreparaten), progestageen alleen schema's) kunnen tussentijds bloedverlies krijgen. Sommige geneesmiddelen (b.v. barbituraten, carbamazepine, fenytoine, rifampicine, dichloralphenazone) kunnen een wisselwerking hebben op de werking en omzetting van geslachtshormonen en aanleiding geven tot bruine afscheiding of tussentijdse bloedingen of beide [10].
Bloedingstoornissen zonder organische oorzaak
Nadat alle organische
oorzaken van abnormaal vaginaal bloedverlies uitgesloten zijn, resteertmet een
groep patiënten bij wie geen definitieve diagnose kan worden gesteld behalve
dat de bloeding 'niet-functioneel' is.
In dit stadium is het belangrijk om een verschil te maken tussen een cyclus met
een eisprong en een cyclus zonder eisprong. Het ontbreken van de eisprong, als
een uiting van de leeftijd wordt als een belangrijke reden van cyclusverstoring
beschouwd bij vrouwen in de overgang. Als gevolg van voortdurende afgifte van
oestrogenen door de eierstok in afwezigheid van progesteron - wat het geval is
bij een cyclus zonder eisprong - kan het baarmoederslijmvlies overmatig groeien
en zwak worden.
De meeste vrouwen in de overgang met hevige menstruele bloedingen, hebben een
regelmatige menstruele cyclus met een eisprong; er zijn geen belangrijke
verschillen in hormonale bloedspiegels in vergelijking met vrouwen met normale
menstruaties [11].
Recente onderzoeken benadrukken dat door verschillende factoren mechanismen
plaatselijk in de baarmoeder optreden en dat deze van belang zijn bij de
regulering van menstruele bloedingen. Bij menorrhagie (menstrueel bloedverlies
boven 80 ml per dag) zijn afwijkingen waargenomen in de systemen van
stolselvorming, stollingsafbraak en prostaglandinen (stoffen met
vaatverwijdende werking) [12 13].
Klinische
beoordeling
|
Voorgeschiedenis |
Kenmerk bloedingspatroon (Tabel 3-1&3-II) |
||
|
Lichamelijk onderzoek |
Baarmoederhals uitstrijkje |
||
|
Laboratorium onderzoek |
Hemoglobine, hematocriet, zwangerschaptest |
||
|
Vaginale echografie |
|||
|
Geen afwijkingen: |
Afwijkingen verwacht: |
||
|
ja: Start hormoontherapie (bij voorkeur laaggedoseerde pil) |
nee: Progestageen maandelijks |
Ruimte innemend proces in bekken -> Kijkoperatie in buik |
Vleesbomen, poliep -> Weefselafname baarmoederslijmvlies, onderzoek baarmoederholte (hysteroscopie) |
Fig. 3-2: Evaluatie van vaginaal bloedverlies
Evaluatie van vaginaal bloedverlies bij vrouwen in de overgang is primair
gericht op opsporing van afwijkingen, waarbij de diagnose 'niet-functioneel'
bloedverlies (bloedverlies zonder organische oorzaak) gewoonlijk gesteld wordt
als er geen andere diagnose meer overblijft.
Voorgeschiedenis
Een bijzonder nauwkeurige
voorgeschiedenis moet worden afgenomen, beginnend met gewone menstruatie
gegevens met zorgvuldige vragen betreffende een onregelmatige menstruele cyclus
en veranderingen in het bloedingpatroon, evenals hiermee verbonden klachten
zoals pijn bij de menstruatie en pijnlijke coïtus. Overgangsverschijnselen en
klachten in verband met bloedarmoede, schildklierziekte of aanleg voor
bloedingen zouden onderzocht moeten worden. De voorgeschiedenis zou verder
informatie moeten bevatten over de voortplanting, anticonceptie en coïtus.
Een menstruele voorgeschiedenis verkregen met een vooraf ingevulde
menstruatiekalender, waarin aangegeven staat het vóórkomen, de duur en de ernst
van het vaginaal bloedverlies, is aan te bevelen. Er moet naar begeleidende
medicatie gevraagd worden. Factoren die de waarneming en verdraagzaamheid van
menstruele stoornissen beïnvloeden, kunnen van groot belang zijn bij het
afstemmen van de toekomstige begeleiding op het individu.
Lichamelijk onderzoek
Algemeen lichamelijk onderzoek kan tekenen van bloedarmoede, hoge bloeddruk, gestoorde klierwerking of bewijs voor een onderliggende bloedziekte naar voren brengen. Onderzoek van de buik en het bekken, altijd met inbegrip van een uitstrijkje van de baarmoederhals moet worden uitgevoerd. Het onderzoek moet ook een inwendig onderzoek van de endeldarm opnemen om afwijkingen van de endeldarm, resulterend in bloedverlies anders dan toe te schrijven aan vaginaal bloedverlies uit te sluiten.
Laboratorium onderzoek
Laboratorium onderzoek moet worden uitgevoerd om zwangerschap uit te sluiten en de volgende bepalingen vast te stellen: hemoglobine, hematocriet en andere vereiste bepalingen vanwege de voorgeschiedenis van de patiënt of na lichamelijk onderzoek (b.v. TSH (schildklierhormoon), creatinine en stollingonderzoek).
In beeld brengen van genitaliën
Vaginale echografie is vooral geschikt voor de evaluatie en de diagnosestelling van ruimte innemende processen van de baarmoeder of in het bekken van minder dan 10 cm in diameter en voor beoordeling van het baarmoederslijmvlies [14]. Er is nog steeds discussie over de waarde en betekenis van vaginale echografie meting van de dikte van het baarmoederslijmvlies bij vrouwen in de overgang [15 16].
Praktisch advies
over behandeling en begeleiding
Begeleiding van vrouwen met onregelmatige bloedingen
|
Stoppen van huidige bloeding
Om vaginaal bloedverlies in de overgang te stoppen, kunnen twee benaderingen overwogen worden:
(1) Hormonale behandeling
Progestageen tabletten (b.v. norethisteron, 5 mg 2x per dag /gedurende 10
dagen) zou gegeven kunnen worden. Bij vrouwen die geen eisprong hebben, zal de
bloeding gewoonlijk minder worden binnen 8-12 uur en stoppen binnen 48 uur. De
behandeling moet worden volgehouden voor minimaal 10 dagen om het (overmatig)
gegroeide baarmoederslijmvlies om te zetten in baarmoederslijmvlies dat
afgestoten wordt.
(2) D&C (dilatatie
& curettage)
Als de bloedingproblemen aanhouden na de hormonale behandeling, moet het
baarmoederslijmvlies onderzocht worden. Door deze procedure stopt de bloeding
in de meeste gevallen.
Voorkomen van herhaling
Stoornissen in de menstruele cyclus in de overgang tengevolge van herkenbare organische ziekte moeten begeleid worden door behandeling van de primaire oorzaak.
Als het mogelijk gaat om een 'niet-functionele' bloedingstoornis, moet men een onderscheid maken tussen patiënten met stoornissen overwegend zonder eisprong en overwegend met eisprong.
Dit is met name van belang in verband met behandeling met de anticonceptiepillen en progestagenen: bloedingstoornissen waarbij geen eisprong optreedt (10-15%) reageren gewoonlijk erg goed op beide behandelingen. In geval van bloedingstoornissen die gepaard gaan met een eisprong (85-90%), zal slechts de helft van de patiënten gunstig reageren op hormonale behandeling.
De
keuze van het geneesmiddel wordt hoofdzakelijk bepaald door:
- de noodzaak voor oestrogeenbehandeling
- de noodzaak voor anticonceptie
- de invloed van bijwerkingen op de patiënt
- de werkelijke kosten van de behandeling
Vrouwen rond de menopauze kunnen behoefte hebben aan hormonale behandeling voor een aantal jaren om de terugkeer van 'niet-functioneel' bloedverlies te voorkomen, maar ook om de voldoende oestrogeen bloedspiegels te houden voor de behandeling of ter voorkoming van (of beiden) van andere overgangsklachten (opvliegers, vaginale droogheid) en van versneld botverlies [17] en atherosclerose (vernauwing van bloedvaten) [18].
Hormonale behandeling
Gebruik van de anticonceptiepil leidt tot (1) een regelmatig bloedingspatroon, (2) een aanzienlijke vermindering van het vaginaal bloedverlies (meer dan 50%) en voldoende anticonceptie. OACs worden beschouwd als eerste keus bij menstruele cyclusstoornissen in de overgang.
Langdurig OAC gebruik
Zelfs bij het laagst gedoseerde ethinylestradiol schema (20 µg EE) behouden
OACs voldoende oestrogeen bloedspiegels om de korte en lange termijn gevolgen
van oestrogeentekort te voorkomen [19].
Anticonceptiepillen met veel progestagene werking kunnen gunstig zijn bij vrouwen met vaginale bloedingstoornissen als gevolg van de aanwezigheid van baarmoederslijmvlies op plaatsen binnen en buiten de baarmoeder, waar het niet hoort (adenomyose of endometriose).
Langdurig OAC gebruik kan afgeraden worden voor vrouwen boven de veertig met andere risicofactoren voor hartvaatziekte (roken, suikerziekte, hoge bloeddruk, hoog vetgehalte in het bloed) of bij wie geslachtshormoon gebruik gerelateerd kan zijn aan een verhoogd risico op stolsels (trombose) [20].
Bijwerkingen
De meest gebruikelijke bijwerking van OACs zijn gewichttoename, buikpijn,
(zeer) licht bloedverlies en gevoelige borsten. De meeste van deze bijwerkingen
verdwijnen binnen de eerste drie maanden van behandeling.
Stoppen met OACs
Het is niet eenvoudig om vast te stellen op welk punt OAC gebruik veilig kan
worden gestopt of vervangen door hormoonbehandeling voor vrouwen na de overgang
(HRT).
Tijdens OAC gebruik is het onmogelijk om de menopauze te bevestigen - en
vandaar het begin van de postmenopauze (één jaar na de menopauze). De leeftijd
waarop de menopauze meestal optreedt (51 jaar, spreiding 39-59 [6] is ongeschikt
als richtlijn voor het stoppen met pilgebruik.
Als vrouwen een volledige bescherming tegen zwangerschap wensen, zou het OAC
gebruik moeten worden volgehouden tot tenminste de leeftijd van 56 jaar (de
leeftijd van de oudste zwangere vrouw ooit gemeld; Guinness Book of Records).
Er kan worden beredeneerd om OAC gebruik te stoppen en het te vervangen, als
het geschikt is, door hormoontherapie bedoeld voor vrouwen na de overgang,
wanneer de patiënt begint met opvliegers in de pilvrije week. Meer onderzoek
gericht op de voorspellende waarde van de FSH dalspiegels in het bloed als een
teken voor vruchtbaarheid en op FSH bloedspiegels tijdens anticonceptie gebruik
in de overgang zijn nodig.
Progestagenen zijn de meest voorgeschreven geneesmiddelen voor de behandeling van vaginale bloedingstoornissen tijdens de overgang.
Progestagenen geven
veranderingen in het scheikundige proces en de structuur van het door
oestrogeen bewerkte baarmoederslijmvlies. Als gevolg daarvan ondergaat het
baarmoederslijmvlies veranderingen voor afstoting. De omvang van verandering
hangt af van de keus van het progestageen, de duur van de blootstelling en de
dosering [21].
Minimaal werkzame dagelijkse doseringen van bepaalde soorten progestagenen zijn
thans vastgesteld uitgedrukt in baarmoederslijmvlies bescherming (Zie Tabel 15-II).
Behandeling van vrouwen in de overgang met regelmatige cycli met een eisprong en vaginale bloedingstoornissen door gebruik van progestageen vervangende therapie lijkt onlogisch en de klinische werking is niet aangetoond [22]. Hoewel er beperkte ondersteunende gegevens zijn, lijken vrouwen in de overgang die geen eisprong hebben het meeste baat te hebben van cyclische progestageen therapie.
Progestagenen kunnen grofweg worden gebruikt in vier verschillende schema's:
|
Schema |
Doel |
Toedieningsweg |
|
Dag 16-25 |
ondersteuning werking eierstok na de eisprong |
via de mond |
|
Dag 5-25 |
tegengaan van groei baarmoederslijmvlies |
via de mond |
|
Continu |
onderdrukken baarmoederslijmvlies |
via de mond, in de baarmoeder, in de spier, via de huid |
|
OAC |
gecombineerde anticonceptiepil |
via de mond |
Behandeling moet worden volgehouden voor tenminste 4 cycli om het
baarmoederslijmvlies in orde te maken. De aantallen voor herhaling na het
stoppen van behandeling zijn hoog (3 maanden na stoppen 25%).
Met een schema van continu progestageen zullen de meeste vrouwen bloedingvrij worden, maar het belangrijkste nadeel van dit schema is het optreden van (zeer) licht bloedverlies en perioden van onvoorspelbaar tussentijdse bloedverlies.
Bijwerkingen
Het voorkomen en de ernst van bijwerkingen hangen af van het soort progestageen
dat voorgeschreven is, de toedieningweg en de dosering.
Toekomstige ontwikkelingen
Spiraaltjes met progesteronafgifte (IUD's) zijn waarschijnlijk een waardevol en
veelbelovend alternatief voor langdurige behandeling van bloedingen uit de
baarmoeder, aangezien hiervan gemeld is dat deze zeer succesvol zijn in het
beheersen van langdurig en hevig bloedverlies. Stofwisseling- en algemene
bijwerkingen worden beperkt omdat alleen een relatief kleine hoeveelheid van
het progestageen opgenomen wordt in het lichaam [23].
Niet-hormonale behandeling van 'niet-functionele' cyclusstoornissen in de overgang
Prostaglandine synthetase remmers (PGSR's)
Prostaglandine synthetase
remmers zijn ontstekingremmende pijnstillers die de aanmaak van prostaglandinen
tegengaan.
De werking van PGSR's met betrekking tot de afname van vaginaal bloedverlies is
bevestigd in vele onderzoeken. PGSR's moeten alleen tijdens de menstruatie
worden ingenomen; als een bijkomend voordeel zal het gebruik van PGSR's leiden
tot een vermindering van pijn tijdens de menstruatie.
Eenderde van de patiënten met hevig vaginaal bloedverlies en een cyclus zonder
eisprong zal baat hebben van PGSR's met een 25-35% afname van bloedverlies,
maar een in verhouding grotere afname wordt gezien bij patiënten met overmatig
bloedverlies.
Vrouwen met vleesbomen reageren over het algemeen niet erg goed op PGSR's.
Er zijn talrijke middelen verkrijgbaar, niet één is beter dan de ander.
Gemelde bijwerkingen van PGSR's zijn hoofdpijn, buikpijn en misselijkheid.
Geneesmiddelen
mefenaminezuur 500 mg driemaal daags
naproxen 500 mg tweemaal of driemaal daags
ibuprofen 400 mg driemaal daags
diclofenac 50 mg driemaal daags
Anti-stolling
middelen
Ondanks de onzekerheid betreffende de rol van stollingvorming en stolselafbraak
bij patiënten met hevig vaginaal bloedverlies, is een sterke stijging van de
stolselafbrekende werking aangetoond in het menstruatievocht van patiënten met
teveel bloedverlies. Verder is het aangetoond dat het baarmoederslijmvlies van
patiënten met teveel bloedverlies een veel grotere hoeveelheid van weefsel
plasminogeen activator bevat aan het einde van de cyclus (fase voor de
menstruatie) dan het baarmoederslijmvlies van normaal menstruerende vrouwen.
Het activeren van plasminogeen in plasmine heeft plaats op het fibrine deel
waar plasmine het fibrine afbreekt in fibrine afbraakproducten (stolselafbraak).
Een verhoogde stolselafbrekende werking kan een belangrijke rol spelen in het
proces van overmatige menstruele bloedingen.
Tranexaminezuur voorkomt de activering van plasminogeen en wordt toegepast bij de behandeling van een breed scala van zowel bloeding- als niet-bloedingstoornissen. Het vermindert menstrueel bloedverlies bij teveel bloedverlies (menorragie) met 50% en is vooral nuttig bij patiënten die geen oestrogenen mogen gebruiken, voor degenen met de ziekte van von Willebrand en in geval van teveel bloedverlies gerelateerd aan het gebruik van het spiraaltje. Bijwerkingen zijn licht en afhankelijk van dosering.
Geneesmiddel
tranexaminezuur 1-1.5 g driemaal daags
Danazol
Danazol heeft waarschijnlijk een effect op de groei van het baarmoederslijmvlies
als reactie op de circulerende hormonen in het bloed. Het remt de werking van
het enzym sulfatase, waardoor het de omzetting van oestronsulfaat in het
sterker werkende oestradiol vermindert; verder beïnvloedt het direct de
receptoren voor oestradiol en progesteron van de spierlaag van de baarmoeder en
het baarmoederslijmvlies. Een afname van meer dan 75% van het vaginale
bloedverlies werd gezien bij patiënten die behandeld zijn met Danazol (met de
lage dosering van 200 mg). Het voorkomen van bijwerkingen (gewichtstoename,
uitslag, misselijkheid, opgeblazen gevoel en spierkrampen) lijkt
dosis-afhankelijk te zijn. Danazol werkt niet anticonceptief en kan mogelijk
leiden tot aangeboren afwijkingen, waardoor de juiste anticonceptieve
maatregelen nodig zijn.
Geneesmiddel
danazol 200 mg per dag
GnRH analoga
GnRH analoga bieden een nieuw benadering voor de behandeling van teveel
bloedverlies. Deze verminderen de afgifte van FSH/LH uit het hersenaanhangsel
(hypofyse), met vervolgens onderdrukking van de hormoonaanmaak van de
eierstokken en de eruit voortvloeiende toestand van onvoldoende functie van de
geslachtsklieren (hypogonadotrofisch hypogonadisme). Het wegblijven van de
bloedingen is het gevolg na de eerste maand behandeling. Bijwerkingen van de
overgang zoals opvliegers, geïrriteerdheid en pijnlijke coïtus zijn
gebruikelijk; vermindering van de hoeveelheid bot treedt waarschijnlijk op als
de vrouwen langer dan enkele maanden behandeld zijn. Een langer aanhoudend
effect wordt alleen verwacht in de groep vrouwen rond de menopauze die reeds
een verminderde eierstokfunctie hebben. Of toegediend via een neusspray of als
een inplant onder de huid, GnRH analoga houden 'niet-functionele' bloedingen
onder controle, maar de duur van de toediening is beperkt vanwege het
gerelateerde risico van botontkalking, de subjectieve bijwerkingen van
oestrogeengebrek en het feit dat GnRH analoga een erg dure behandelingswijze
voor teveel bloedverlies blijven. Toevoeging van oestrogeen behandeling kan de
meeste van deze problemen voorkomen en mogelijk lange termijn behandeling
toelaten.
Chirurgische behandeling van vaginale bloedingstoornissen
Als het vaginale bloedverlies hardnekkig is tegen medische behandeling, kunnen een reeks operatieve benaderingen waardevol zijn:
Dilatatie en curettage (D&C, oprekken en schoonmaken van baarmoeder)
D&C moet worden beschouwd als een diagnostische procedure (vooral om kwaadaardige ziekte uit te sluiten), maar in geval van poliepen of acute bloedingen, kan het soms een genezende waarde hebben.
Hoewel bloedverlies kan worden verminderd in de eerste cyclus na de operatie, zal dit gewoonlijk teruggekeerd zijn tot op het niveau van voor de operatie na 2-3 maanden [24].
Curettage en geneesmiddelen waardoor de baarmoeder samentrekt, laten niet duidelijk de vaginale bloedingen afnemen. Een curettage wordt voornamelijk uitgevoerd voor diagnostische doeleinden en geneesmiddelen waardoor de baarmoeder samentrekt, hoewel veel gebruikt, zijn van geen waarde voor het verminderen van de ernst van het bloedverlies [24].
Endometrium ablatie (verwijdering baarmoederslijmvlies)
Tot voor kort was het
verwijderen van de baarmoeder de enige beschikbare operatieve behandeling, maar
de ontwikkeling van diagnostische en operatieve procedures voor het kijken met
een instrument in de lichaamsholten heeft de mogelijkheden vergroot. Aangezien
de afkomst van het menstrueel bloedverlies van het baarmoederslijmvlies is, zou
vernietiging van het baarmoederslijmvlies ofwel het menstruele vloeien
verminderen of uitschakelen. Endometrium ablatie is de laatste ontwikkeling op
dit gebied.
Vier methoden (door de baarmoederhals) voor endometrium ablatie zijn in
gebruik: uitsnijden van het baarmoederslijmvlies, vernietigen van het weefsel
met elektrische stroom, laser behandeling en radiofrequentie-opgewekte warmte
ablatie.
Deze procedures kunnen waardevolle alternatieven worden in plaats van het
operatief verwijderen van de baarmoeder in geselecteerde klinische gevallen.
Succes percentages benaderen de 85%, maar lange termijn resultaten zijn nog
niet beschikbaar [25].
Deze procedure is een definitieve en zeer effectieve vorm van operatieve behandeling met een relatief laag sterftecijfer van ongeveer 6 op 10.000 [26], maar een aanzienlijk ziektecijfer na de operatie [27]. Een vroeg optreden van overgangsklachten is gemeld bij vrouwen waarbij de baarmoeder verwijderd is [28]. Aan de andere kant is het na het operatief verwijderen van de baarmoeder niet nodig om een progestageen aan oestrogeen therapie toe te voegen.
Conclusie
De variatie in de menstruele
cyclus bij vrouwen rond de menopauze is een deel van de normale fysiologie van
de overgangsperiode naar de onvruchtbare jaren. Tijdens de periode rond de
menopauze is er ook een overgangsperiode van voldoende oestrogeen bloedspiegels
naar oestrogeentekort. Vaginale bloedingen zijn het keurmerk van de menstruele
cyclus; deze kunnen echter ook het resultaat zijn van plaatselijke genitale of
algemene ziekteverschijnselen. Het zou een kwestie van prioriteiten moeten zijn
om er zeker van te zijn dat er geen ernstige ziekte aanwezig is, als een vrouw
rond de menopauze klaagt over veranderingen in het bloedingpatroon. Daarna zou
de behandeling gericht moeten zijn op het voorkomen van de cyclusstoornis,
waarbij de behoefte aan oestrogeen behandeling in acht genomen wordt.
Er bestaan een aantal rationele therapieën voor de behandeling van
cyclusstoornissen rond de menopauze. Aangezien geen enkel schema voor iedereen
geschikt is, moet de begeleiding per individu bekeken worden.
Literatuur
1.
Oldenhave A, Netelenbos C. Pathogenesis of climacteric complaints: ready for
the change? Lancet
1994;343:649-53.
2.
Sandler B, Kase NG. Normal and abnormal menstruation. In: Kase NG, Weingold AB,
Gershenson DM, editors. Principles and practice of clinical gynecology. 2nd
edition. New York: Churchill Livingstone, 1990.
3.
Velde ER te. Disappearing ovarian follicles and reproductive ageing. Lancet
1993;341:1125-6.
4.
Lee SJ, Lenton EA, Sexton L, Cooke ID. The effect of age on the cyclical
patterns of plasma LH, FSH, oestradiol and progesterone in women with regular
menstrual cycles. Hum Reprod 1988;3:851-5.
5.
Rosenwaks Z, Wentz AC, Jones GS et al. Endometrial pathology and estrogens. Obstet
Gynecol 1979;53:403-10.
6.
Treloar AE. Menstrual cyclicity and the premenopause. Maturitas
1981;3:249-64.
7.
Buttram VC Jr, Reiter RC. Uterine leiomyomata: etiology, symptomatology and
management. Fertil
Steril 1981;36:433-45.
8.
Kilkku P, Erkkola R, Gronroos M. Non-specificity of symptoms related to
adenomyosis. A prospective comparative survey. Acta
Obstet Gynecol Scand 1984;63:229-31.
9.
Cowan BD, Morrison JC. Management of abnormal genital bleeding in girls and
women. New
Engl J Med 1991;324:1710-5.
10.
Seingold KA, Cefalu W, Pardridge W et al. Enhanced hepatic extraction of
estrogens used for replacement therapy. J
Clin Endocrinol Metab 1986;2:761-6.
11.
Haynes PJ, Anderson ABM, Turnbull AC. Patterns of menstrual blood loss in
menorrhagia. Res Clin Forums 1979;1:73-8.
12.
Christiaens GCML, Sixma JJ, Haspels AA. Morphology of haemostasis in menstrual
endometrium. Br
J Obstet Gynaecol 1980;87:425-39.
13.
Smith SK. Prostaglandins and growth factors in the endometrium. Bailliere's
Clin Obstet Gynaecol 1989;3:249-70.
14.
Timor-Tritsch IE. Is office use of vaginal ultrasonography feasible? Am
J Obstet Gynecol 1990;162:983-5.
15.
Loutradis D, Antsaklis A, Creatsas G et al. The validity of gynecological
ultrasonography. Gynecol
Obstet Invest 1990;29:47-50.
16.
Stovall TG, Solomon SK, Ling FW. Endometrial sampling prior to hysterectomy. Obstet
Gynecol 1989;73:405-9.
17.
Naessén T, Persson I, Ljunghall S, Bergström R. Women with climacteric
symptoms: a target group for prevention of rapid bone loss and osteoporosis. Osteoporosis
Int 1992; 2:225-31.
18.
Grady D, Rubin SM, Petitti DB et al. Hormone therapy to prevent disease and
prolong life in postmenopausal women. Ann
Intern Med 1992; 117:1016-37.
19.
Williams SR,Frenchek B, Speroff T, Speroff L. A study of combined continuous
ethinyl estradiol and norethindrone acetate for postmenopausal hormone
replacement. Am
J Obstet Gynecol 1990;162:438-46.
20.
Goebelsmann U, Mashchak CA, Mishell DR Jr. Comparison of hepatic impact of oral
and vaginal administration of ethinyl estradiol. Am
J Obstet Gynecol 1985;151:868-77.
21.
Whitehead MI, Townsend PT, Pryse-Davies J et al. Effects of estrogens and
progestins on the biochemistry and morphology of the postmenopausal
endometrium. New
Engl J Med 1981;305:1599-605.
22.
Cameron IT, Leask R, Kelly RW et al. The effects of danazol, mefenamic acid,
norethisterone and a progesterone-impregnated coil on endometrial prostaglandin
concentrations in women with menorrhagia. Prostaglandins
1987;34:99-110.
23.
Milsom I, Andersson K, Andersch B, Rybo G. A comparison of flurbiprofen,
tranexamic acid and a levonorgestrel-releasing intrauterine contraceptive
device in the treatment of idiopathic menorrhagia. Am
J Obstet Gynecol 1991;164:879-83.
24.
Nilsson L, Rybo G. Treatment of menorrhagia. Am
J Obstet Gynecol 1971;110:713-20.
25.
Magos AL, Baumann R, Lockwood GM, Turnbull AC. Experience with the first 250
endometrial resections for menorrhagia. Lancet
1991; 337:1074-8.
26.
Wingo PA, Huezo CM, Rubin GL et al. The mortality risk associated with
hysterectomy. Am
J Obstet Gynecol 1985;152:803-8.
27.
Dicker RC, Greenspan JR, Strauss LT et al. Complications of abdominal and vaginal
hysterectomy among women of reproductive age in the United States. Am
J Obstet Gynecol 1982;144:841-8.
28.
Oldenhave A, Jaszmann LJB, Everaerd WTAM, Haspels AA. Hysterectomized women
with ovarian conservation report more severe climacteric complaints than do
normal climacteric women of similar age. Am
J Obstet Gynecol 1993;168:765-71.
Practical HRT (editie 1996 en bewerkt in 2002) biedt nuttige informatie voor vrouwen in de overgang. Meer informatie over cyclusstoornissen in de overgang is te vinden op www.overgang.net.