|
NVOG
1999
23
maart 1999
Inleiding
In deze
folder wordt uitgelegd wat een mola-zwangerschap is, welk onderzoek en welke
behandeling plaatsvindt, en wat de gevolgen kunnen zijn. Ook emotionele aspecten
komen aan bod.
Wat
is een mola-zwangerschap?
Een
mola-zwangerschap kan gezien worden als een bijzondere vorm van een niet goed
aangelegde zwangerschap.
Nadat een zaadcel een eicel heeft bevrucht, deelt de bevruchte eicel zich. De
twee cellen die zo ontstaan delen zich zelf ook weer. Zo gaat het proces door en
komen er steeds meer nieuwe cellen. Bij een normale zwangerschap ontstaan uit
deze cellen een embryo (een vrucht, een toekomstig kind) en een placenta (een
moederkoek). Wanneer er bij of kort na de bevruchting iets misgaat kan het
gebeuren dat alleen de placenta doorgroeit. Er is dan sprake van een
mola-zwangerschap. De placenta groeit in de baarmoederholte almaar verder en
door vochtophoping ontstaan talloze blaasjes. Gewoonlijk is er bij een
mola-zwangerschap dus geen embryo. Is er bij uitzondering toch een vrucht, dan
is deze bijna nooit levensvatbaar.
Waardoor
wordt een mola-zwangerschap veroorzaakt?
Dat is niet
bekend. Het is dan ook niet te voorspellen welke vrouw dit zal overkomen.
Sommige vrouwen lopen wel meer kans, bijvoorbeeld vrouwen die afkomstig zijn uit
Zuid-Oost-Azië. Mogelijk spelen erfelijke factoren een rol. Ook de leeftijd is
van belang: vrouwen onder de 15 en boven de 40 jaar hebben meer kans op een
mola.
Meestal is er geen oorzaak voor een mola-zwangerschap aan te wijzen. Langdurig
pilgebruik, sporten of stress verhogen de kans op een mola niet. In
tegenstelling tot een gewone' miskraam komt een mola-zwangerschap heel zelden
voor: bij 1 op de 2000 zwangerschappen.
Hoe
wordt een mola ontdekt?
Een
mola-zwangerschap wordt vastgesteld bij echoscopisch onderzoek. In plaats van
een vruchtzakje met een embryo en een kloppend hartje worden vele kleine
blaasjes gezien die de baarmoederholte opvullen. Soms is bloedverlies via de
schede de reden voor het echoscopisch onderzoek, soms wordt het hartje niet
gehoord, of lijkt de baarmoeder te groot voor de duur van de zwangerschap. Ook
kan een mola-zwangerschap bij toeval worden ontdekt bij echoscopisch onderzoek
dat om een andere reden gedaan wordt.
Klachten
Meestal zijn
er bij een mola-zwangerschap geen bijzondere klachten. 'Gewone'
zwangerschapsverschijnselen zoals moeheid en misselijkheid zijn er vaak wel. Als
de zwangerschapsduur vordert, neemt de kans op vaginaal bloedverlies toe.
Aanvullend
onderzoek
Als
echoscopisch onderzoek laat zien dat er (zeer waarschijnlijk) sprake is van een
mola-zwangerschap, wordt er een longfoto gemaakt om te zien of de mola-blaasjes
zich verspreid hebben naar de longen. In het laboratorium wordt onderzocht
hoeveel zwangerschapshormoon (hCG) in het bloed aanwezig is. hCG wordt in het
placentaweefsel gemaakt. De hoeveelheid van dit hormoon geeft aan hoeveel
placentaweefsel er is, en dus hoe actief de mola is.
Behandeling
Bij een
mola-zwangerschap wordt altijd een curettage geadviseerd. Dit is een ingreep via
de schede waarbij het mola-weefsel met een dun slangetje (vacuümcurette) uit de
baarmoederholte wordt weggezogen. De gynaecoloog probeert zoveel mogelijk
mola-blaasjes te verwijderen. Plaatselijke verdoving wordt bij deze ingreep
afgeraden; narcose is beter. Soms gaat de curettage gepaard met veel
bloedverlies. Een bloedtransfusie tijdens of na de ingreep kan dan nodig zijn.
Na de curettage kunt u nog een paar weken wat bloederige of bruinige afscheiding
hebben. In aansluiting op de curettage bespreekt de gynaecoloog met u
anticonceptie. Het is wenselijk een tijd te wachten met opnieuw proberen zwanger
te worden. Vaak wordt de pil geadviseerd. Een spiraaltje wordt afgeraden in
verband met de mogelijkheid van bloedingen.
Nacontrole
Bij een
curettage probeert men altijd zoveel mogelijk molablaasjes te verwijderen, maar
er blijven altijd blaasjes achter. Normaal ruimt het lichaam deze resten uit
zichzelf op. Om te controleren of de achtergebleven blaasjes goed verdwijnen,
wordt regelmatig het bloed onderzocht. Daarin wordt het zwangerschapshormoon hCG
gecontroleerd. De hoeveelheid van dit hormoon geeft informatie over de
activiteit van de achtergebleven mola-blaasjes.
In het begin gebeurt dit onderzoek wekelijks, als de hCG-waarde normaal is,
maandelijks. Gemiddeld duurt het drie tot vier maanden voordat de bloeduitslagen
normaal zijn. Soms daalt het hCG onvoldoende of blijft het te hoog. Dan is
verdere behandeling nodig. In de volgende paragraaf vindt u hierover meer
informatie.
Complicaties
Soms
verdwijnen de mola-blaasjes niet uit de baarmoeder of groeien ze zelfs weer aan.
Ook kan de mola zich via het bloed naar de longen uitbreiden of, bij hoge
uitzondering, naar andere organen. In deze gevallen spreekt men van een
persisterende trofoblast (aanwezig blijvend molaweefsel).
Bij een persisterende trofoblast daalt de waarde van het hCG onvoldoende.
Meestal zijn er geen klachten, maar soms treden er weer
zwangerschapsverschijnselen op, of is er vaginaal bloedverlies.
Het komt een enkele keer voor dat de mola zich naar de longen uitbreidt. Er
kunnen dan klachten van hoesten en kortademigheid zijn. Altijd wordt ter
controle een nieuwe longfoto gemaakt.
Een persisterende trofoblast kan gezien worden als een voorstadium van een
kwaadaardige aandoening. Daarom is chemotherapie (een behandeling met celdodende
medicijnen) noodzakelijk; deze wordt poliklinisch gegeven. De kans op volledige
genezing is uitstekend. Als er geen kinderwens meer is, kan in plaats van
chemotherapie ook een baarmoederverwijdering worden overwogen.
Een
nieuwe zwangerschap?
Na een
mola-zwangerschap is het beter een tijd te wachten met een nieuwe zwangerschap,
omdat het achtergebleven mola-weefsel opnieuw actief kan worden. Nadat het hCG
in het bloed normaal is geworden, is het verstandig nog een half jaar
anticonceptie te gebruiken. Als u medicijnen hebt gebruikt in verband met een
persisterende trofoblast, is het beter pas weer zwanger te worden als de
hCG-waarde in het bloed een jaar normaal is.
Na een mola-zwangerschap is er geen verhoogde kans op onvruchtbaarheid,
gezondheidsproblemen of complicaties tijdens een volgende zwangerschap. Wel is
er een licht verhoogde kans (1%) op een tweede mola-zwangerschap. Daarom is het
zinvol om bij een volgende zwangerschap vroeg een echo-onderzoek te laten doen
om te zien of alles normaal is. In dat geval kunt u voor controle van de
zwangerschap bij de verloskundige of de huisarts blijven. Een doorgemaakte
mola-zwangerschap is geen reden voor een medische indicatie en bevalling onder
leiding van een gynaecoloog. Wel wordt geadviseerd om zes weken na de bevalling
het bloed nog een keer te controleren op hCG.
Lichamelijk
en emotioneel herstel
Na een
curettage herstelt u meestal vlot. Vaak is er nog een tot twee weken wat
bloedverlies en bruinige afscheiding. Het is verstandig met samenleving
(seksuele gemeenschap) te wachten tot dit bloedverlies voorbij is.
Veel vrouwen maken na een mola-zwangerschap psychisch een moeilijke tijd door.
De mola betekent voorlopig een teleurstelling en brengt een abrupt einde aan
alle plannen en fantasieën over het verwachte kind. Onbekendheid en daarmee
samenhangende onzekerheid maken de verwerking soms moeilijker dan na een gewone
miskraam. Verdriet, schuldgevoelens, ongeloof, boosheid en een gevoel van leegte
zijn veel voorkomende emoties. De vraag waarom het mis ging houdt u wellicht
bezig. Hoe invoelbaar ook, schuldgevoelens zijn nooit terecht. Een mola ontstaat
doordat er iets verkerd liep bij of kort na de bevruchting.
Iedereen verwerkt een mola-zwangerschap anders. Het kan een steun zijn dat u
weet dat zwanger worden in elk geval mogelijk is gebleken. De vrij lange
wachtperiode voor een nieuwe zwangerschap kan moeilijk zijn, zeker als uw
leeftijd wat vordert. Ook omstandigheden zoals aanvullende medicijnkuren spelen
bij de verwerking een rol. Hoe lang het verwerkingsproces duurt, is moeilijk aan
te geven. Bij gewone' miskramen doen sommige paren er enkele maanden tot een
half jaar over; bij anderen duurt het soms meer dan een jaar. Waarschijnlijk is
dit bij een mola niet anders.
Verschillen in de beleving of de snelheid van verwerken tussen man en vrouw
kunnen een druk op de relatie geven. Het is dan verstandig erover te praten,
zowel met elkaar als met anderen.
Omdat mola-zwangerschappen weinig voorkomen, is het voor de omgeving vaak niet
duidelijk wat u doormaakt. Het kan helpen te praten met andere paren die
hetzelfde hebben meegemaakt, maar omdat mola-zwangerschappen vrij zeldzaam zijn,
kunnen deze andere paren soms moeilijk te vinden zijn.
Mola-registratie
In Nederland
worden alle mola-zwangerschappen geregistreerd bij het Academisch Ziekenhuis in
Nijmegen. Zo hopen artsen meer te weten te komen over deze zeldzame aandoening.
De gynaecoloog meldt ook uw gegevens bij deze registratie aan, tenzij u hier
bezwaar tegen maakt.
Hulporganisaties
Er bestaat
geen landelijke hulporganisatie die zich speciaal richt op vrouwen die een mola
doormaakten. Niettemin kan een enkele instantie behulpzaam zijn bij het
beantwoorden van vragen en bij het zoeken van hulp en steun in de woonomgeving:
Freya, patiëntenvereniging voor vruchtbaarheidsproblematiek
Postbus 476
6600 AL Wijchen
tel./fax (024) 645 10 88
webste: http://www.freya.nl
Landelijke patiëntenvereniging die vanuit ervaringsdeskundigheid een luisterend
oor kan bieden en informatie kan verstrekken aan paren die ongewild kinderloos
zijn. Freya kan mogelijk ook bemiddelen bij lotgenotencontact voor problemen
rond (herhaalde) miskramen en een mola-zwangerschap.
Om
verder te lezen
Boeken over
een mola-zwangerschap zijn ons niet bekend. Mogelijk kunnen onderstaande boeken
u wel ondersteuning bieden.
Marianne Cuisinier en Hettie Janssen. Met lege handen; 2e dr. Houten:
Unieboek, 1997. ISBN 90 269 6699 7.
Wiebe Braam en Martha van Buuren. Als je zwangerschap misloopt. Baarn:
La Rivière 1995. ISBN
90 384 0365 8.
Ann Oakley, Ann McPherson en Helen Robert. Soms gaat het mis.
Utrecht/Antwerpen: Kosmos, 1985. ISBN 90 215 1231 9 (niet meer leverbaar).
©
1999 NVOG
Het copyright van deze brochure berust bij de Nederlandse Vereniging voor
Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) in Utrecht. Leden van de NVOG mogen deze folder
alleen integraal, onverkort en met bronvermelding vermenigvuldigen.
De inhoud van deze folder is tot stand gekomen na een zorgvuldig
kwaliteitstraject, begeleid door de Commissie Patiëntenvoorlichting van de
NVOG. Als non-profit-instelling legt deze commissie zich toe op het formuleren
en ontwerpen van kwalitatief hoogwaardige voorlichting. Voor deze folder is als
basis gebruikt de Richtlijn Molazwangerschap en persisterende trofoblast (NVOG
1999).
Andere folders en brochures op het gebied van de verloskunde, gynaecologie en
voortplantingsgeneeskunde zijn te vinden op de website van de NVOG:
http://www.nvog.nl, rubriek voorlichting.
Auteur: dr. M.J. ten Kate-Booij
Redacteur: dr. G. Kleiverda
Bureauredacteur: J. Quadekker
|