Stuitligging
Inleiding
In deze brochure vindt u de tekst die officieel is
vastgesteld door de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en
Gynaecologie (NVOG) inzake een stuitligging. Beschreven
wordt o.a. wat een stuitligging is, bijzonderheden tijdens de
zwangerschap en de bevalling van een kind in stuitligging.
Deze brochure dient als aanvulling
op het gesprek dat u met uw behandelend arts voert. Mocht u
naar aanleiding van deze informatie nog vragen hebben, dan
kunt u daarmee terecht bij uw behandelend arts.
Inhoudsopgave
Algemeen
Als een kind met het hoofd boven in de baarmoeder ligt en met
de stuit naar beneden, spreken we van een stuitligging.
Waardoor een kind in stuitligging ligt, is vaak niet
duidelijk. Tegen het einde van de zwangerschap kan het zinvol
zijn om te proberen het kind te draaien, zodat het met het
hoofd beneden komt te liggen (hoofdligging). In deze brochure
wordt uitgelegd hoe dat gebeurt. Ook komt aan bod hoe de
bevalling bij een stuitligging kan plaatsvinden, of u een
keuze hebt tussen een gewone bevalling of een keizersnede, en
wat de voor- en nadelen van deze manieren van bevallen zijn.
Wat
is een stuitligging?
Bij een stuitligging ligt het hoofd van het kind boven in
de baarmoeder, terwijl de billen of de beentjes beneden bij de
ingang van het bekken liggen.
Er zijn
verschillende soorten stuitligging:
- onvolkomen
stuitligging: de benen liggen helemaal omhoog naast het
lichaam, zodat het kind als het ware op zijn tenen kan
sabbelen.
- volkomen
stuitligging: de bovenbenen zijn langs het lichaam
gestrekt, maar de knieën zijn gebogen, zodat de voeten
naast de billen liggen (‘kleermakerszit’).
- half
onvolkomen stuitligging: één been ligt gestrekt naar
boven zoals bij een onvolkomen stuitligging, het andere
been ligt naar beneden, zoals bij een volkomen
stuitligging.
- voetligging:
het kind ligt met een of beide benen gestrekt naar
beneden, zodat een of twee voetjes onder de billen liggen.

Hoe
vaak komt een stuitligging voor?
Vroeg in de zwangerschap komen stuitliggingen veel voor:
in de periode tussen de 20 en 25 weken ligt ongeveer eenderde
van alle kinderen met het hoofd naar boven, maar naarmate de
zwangerschap vordert, draaien steeds meer kinderen met hun
hoofd naar beneden. Acht weken voor de uitgerekende datum, bij
32 weken, ligt nog 10-15% van de kinderen in stuitligging.
Rondom de uitgerekende datum is dat nog bij 3% van de kinderen
het geval.
Waardoor
ligt een kind in stuitligging?
Meestal is het onbekend waardoor een kind rond de
uitgerekende datum in stuitligging ligt. Bij een vroeggeboorte
komt een stuitligging vaker voor, omdat het kind bij een
kortere zwangerschapsduur nog vaak met het hoofd naar boven
ligt. Daarnaast komt een stuitligging vaker voor bij:
- een
meerlingzwangerschap
- een
afwijkende vorm van de baarmoeder of het bekken
- een
voorliggende placenta (moederkoek) of een myoom
(vleesboom) bij de ingang van het bekken
- aangeboren
afwijkingen van het kind
Bij meer dan
85% van de zwangeren is er echter geen verklaring voor de
stuitligging.

Een
stuitligging, wat nu?
Verderop in deze brochure beschrijven wij voor welke keuze
u als ouders mogelijk komt te staan als uw kind tegen het
einde van de zwangerschap in stuitligging ligt. In ieder geval
kunt u niet thuis bevallen, en soms adviseert de gynaecoloog
een keizersnede. Om dit te voorkomen kan het zinvol zijn om te
proberen het kind in hoofdligging te draaien. De kans op een
keizersnede halveert hierdoor.
Echoscopisch
onderzoek
Om te bekijken of het verstandig is om te proberen het kind te
draaien, vindt altijd echoscopisch onderzoek plaats. Hierbij
beoordeelt men de hoeveelheid vruchtwater en de ligging van de
placenta.
Er wordt dan geen uitgebreid onderzoek gedaan naar mogelijke
kleinere aangeboren afwijkingen.
Wel wordt gekeken naar duidelijk zichtbare grote aangeboren
afwijkingen, die een enkele keer een oorzaak van de
stuitligging zijn. Ook gaat men na of het kind niet met het
hoofd achterovergebogen ligt.
Wat
gebeurt er bij het draaien?
In sommige ziekenhuizen vindt draaien van een kind plaats
op de polikliniek, andere ziekenhuizen nemen u hiervoor
kortdurend op. Degene die uw kind probeert te draaien is de
gynaecoloog, een assistent of een in het ziekenhuis werkzame
verloskundige.
- U ligt op
een bed of onderzoekbank. Voordat men met het draaien
begint, controleert men nogmaals de harttonen en de
ligging van het kind.
- In sommige
ziekenhuizen krijgt u een injectie met een weeënremmend
middel om ervoor te zorgen dat de baarmoeder soepel blijft
en niet samentrekt. Een mogelijke bijwerking is dat uw
hartslag versnelt en dat u last van hartkloppingen krijgt.
Na een paar uur, wanneer het middel is uitgewerkt,
verdwijnen deze bijwerkingen weer.
- Het is
belangrijk dat u zo ontspannen mogelijk ligt en uw
buikspieren niet aanspant. Soms is een kussen onder uw
knieën prettig. Als u een goede houding heeft gevonden,
pakt de verloskundige of arts met twee handen het kind
vast. Eén hand pakt daarbij net boven uw schaambeen de
billen van het kind en probeert deze omhoog te drukken. De
andere hand pakt aan de bovenkant van uw buik het hoofd
van het kind en probeert dit naar beneden te duwen. Op
deze wijze duikelt het kind tot het met zijn hoofd beneden
ligt.
- Een enkele
keer, als de billen al wat in het bekken zijn ingedaald,
drukt een assistent via de vagina (schede) de billen van
het kind omhoog, om zo het draaien te vergemakkelijken.
- Na
afloop controleert men voordat u naar huis gaat opnieuw de
conditie van het kind. Dit gebeurt met een CTG
(cardiotocogram) dat de harttonen van het kind
registreert.

Bij welke
zwangerschapsduur wordt er gedraaid?
De meest geschikte zwangerschapsduur om een kind te
draaien is rond de 36 weken. Soms, als er niet zoveel
vruchtwater is, kan het raadzaam zijn dit al eerder te doen.
Als er veel vruchtwater is of als de stuitligging pas laat
ontdekt wordt, draait men het kind ook nog later in de
zwangerschap; tot aan de bevalling kan dit bijna altijd
geprobeerd worden.
Hoe vaak
lukt het om een kind te draaien?
Of het zal lukken om een kind te draaien, valt niet
altijd te voorspellen. Over het algemeen geldt: hoe vroeger in
de zwangerschap en hoe meer vruchtwater, des te gemakkelijker
is het om het kind te draaien. Maar dat heeft ook een
keerzijde: als er veel vruchtwater is, is de kans ook groot
dat het kind nog veel ruimte heeft om uit zichzelf terug te
draaien naar een stuitligging. Bovendien draaien voor 36 weken
veel kinderen uit zichzelf nog wel. Naarmate de
zwangerschapsduur vordert, neemt de hoeveelheid vruchtwater
af, en wordt draaien moeilijker. Tot slot is ook de ligging
van de placenta van belang. Als deze tegen de voorwand van de
baarmoeder ligt, is het vaak moeilijker om het kind vast te
pakken dan als hij tegen de achterwand ligt.
Zijn er
gevaren aan het draaien van een kind?
Voor de moeder zijn er geen gezondheidsgevaren. Wel
hebben enkele vrouwen last van de bijwerkingen van het middel
om de baarmoeder te ontspannen, maar dit gaat altijd na een
paar uur weer vanzelf over. Ook kan de buik door het harde
duwen een paar dagen gevoelig en pijnlijk zijn. Dit is
vervelend, maar kan geen kwaad.
Voor het kind zijn er als regel geen levensbedreigende
gezondheidsgevaren. Bij minder dan 10% van de kinderen zijn de
harttonen na het draaien tijdelijk wat langzamer. Daarom
controleert men ze na afloop altijd nauwkeurig. Bijna altijd
worden ze vanzelf weer normaal. Een heel enkele keer (bij
minder dan 1%) blijven de harttonen afwijkend, en is het nodig
direct een keizersnede te doen.
Bijzondere
situaties
Bij een tweelingzwangerschap is het over het algemeen
moeilijk om een of beide kinderen te draaien.
Zoals vermeld, lukt bij een eenlingzwangerschap het draaien
minder vaak als de moederkoek tegen de voorwand van de
baarmoeder ligt, of als er weinig vruchtwater is. Dan laat men
een draaipoging soms achterwege. Ook bij een ernstig verhoogde
bloeddruk of een litteken in de baarmoeder zijn gynaecologen
nogal eens terughoudend om het kind te draaien.
Anti-D
Bent u rhesus-negatief, dan krijgt u na afloop van een
draaipoging een injectie met anti-D, of het nu gelukt is het
kind te draaien of niet. Meer informatie vindt u in Zwanger,
algemene informatie en Bloedgroep, rhesusfactor en irregulaire
antistoffen. Weet u zeker dat de vader van uw kind
rhesus-negatief is, dan kunt u bespreken of de injectie
achterwege kan blijven.
Verdere
controles van de zwangerschap
Als het is gelukt om uw kind te draaien, kijkt men bij
een volgende controle altijd opnieuw naar de ligging van het
kind. Een enkele keer draait het kind uit zichzelf weer terug
naar een stuitligging. Deze kans is groter bij draaien vroeg
in de zwangerschap en bij veel vruchtwater. Zo nodig draait
men het kind opnieuw, bijvoorbeeld een week later. Is het niet
gelukt uw kind te draaien, dan bespreekt de gynaecoloog met u
de verdere gang van zaken rond de bevalling. U krijgt in ieder
geval een medische indicatie om in het ziekenhuis te bevallen,
en meestal controleert de gynaecoloog de rest van uw
zwangerschap.
Een
bevalling van een kind in stuitligging
De bevalling van een kind in stuitligging roept altijd veel
vragen op. Is het wel veilig om ‘gewoon’ vaginaal (via de
schede) te bevallen, of is een keizersnede veiliger? Deze
vraag houdt niet alleen aanstaande ouders, maar ook
gynaecologen bezig, zowel in Nederland als in het buitenland.
Een
belangrijk buitenlands onderzoek dat een gewone bevalling
vergeleek met een keizersnede, werd in oktober 2000
gepubliceerd. De conclusie was dat een keizersnede bij een
stuitligging rond de uitgerekende datum veiliger is voor het
kind. Het is echter de vraag of deze conclusie ook in de
Nederlandse situatie geldig is. Vooralsnog zijn de meeste
Nederlandse gynaecologen van mening dat in veel situaties een
gewone, vaginale bevalling wel degelijk verantwoord is onder
de voorwaarden die in ons land gebruikelijk zijn. Wel vinden
zij het belangrijk dat u op de hoogte bent van de kans op
complicaties, zowel bij een vaginale bevalling als bij een
keizersnede.
Wanneer
vinden de meeste gynaecologen een vaginale bevalling
verantwoord?
Elke gynaecoloog wil dat u na de bevalling tevreden met
een gezond kind het ziekenhuis verlaat. Dit betekent dat de
gynaecoloog met u afweegt of een gewone bevalling veilig is,
of dat het beter is een keizersnede te doen.
Voorwaarden
voor een veilige vaginale bevalling zijn:
- bij een
vorige bevalling waren er geen ernstige problemen, zoals
een moeizame vacuüm- of tangverlossing (een gemakkelijke
vacuüm- of tangverlossing de vorige keer is geen bezwaar)
- het
geschatte gewicht van het kind ligt niet te hoog
- het hoofd
van het kind ligt voorover en niet achterovergebogen
- er is enige
indaling in het bekken
- de
ontsluiting en de uitdrijving vorderen goed.
Wat
betekent dit voor u? Kunt u kiezen?
De vraag of u kunt kiezen tussen een vaginale bevalling en
een keizersnede, is in deze brochure niet voor alle vrouwen te
beantwoorden.
In twee situaties hebt u geen keuze:
- het is te
laat om een keizersnede te doen, omdat het kind op het
punt staat geboren te worden.
- de
dienstdoende gynaecoloog vindt het niet verantwoord om u
vaginaal te laten bevallen.
(bijvoorbeeld
omdat het kind groot is of ongunstig ligt, omdat u de vorige
keer een moeizame bevalling gehad hebt, omdat de ontsluiting
of de uitdrijving onvoldoende vordert, of omdat de harttonen
verslechteren)
In andere situaties kunt u doorgaans kiezen tussen een
keizersnede of een vaginale bevalling, op voorwaarde dat de
gynaecoloog die de bevalling begeleidt, een gewone bevalling
verantwoord vindt.
We geven nu eerst meer informatie over een vaginale
stuitbevalling en een keizersnede.
Een
vaginale stuitbevalling
Evenals bij een bevalling van een kind in hoofdligging, kent
een stuitbevalling drie verschillende stadia (perioden): de
ontsluiting, de uitdrijving en de periode na de geboorte.
Tijdens de ontsluitingsfase gaat de baarmoedermond open als
gevolg van steeds krachtiger wordende weeën. De arts gaat de
mate van ontsluiting na door middel van inwendig onderzoek.
Bij volkomen ontsluiting is de baarmoedermond helemaal open.
De billen (of de beentjes) dalen dan verder in; tijdens de weeën
krijgt u meestal in toenemende mate het gevoel mee te moeten
persen. Zo begint de uitdrijvingsfase, die eindigt met de
geboorte van uw kind. De ontsluitingsfase verloopt niet anders
dan bij een bevalling van
een kind in hoofdligging.
Wel worden de
harttonen nauwkeurig gecontroleerd door middel van een CTG
(cardiotocogram). Dit gebeurt soms via uw buik, maar vaak
plaatst de arts een elektrode op de bil van het kind. Daarbij
breekt men ook de vliezen. U voelt dan warm vruchtwater naar
buiten stromen. Ook kan een dun slangetje (drukkatheter) in de
baarmoeder gebracht worden om de sterkte van de weeën te
meten.
Soms laat men
dit achterwege of registreert men de weeën met een band om de
buik. Bij persdrang aan het einde van de ontsluitingsfase is
het belangrijk te wachten met meepersen tot de ontsluiting
volledig is.
Het persen op zich verloopt niet anders dan bij een bevalling
van een kind in hoofdligging, maar bij een stuitgeboorte maakt
men bijna altijd een dwarsbed: het onderste gedeelte van het
verlosbed wordt weggehaald en u plaatst uw benen in
beensteunen (net als bij inwendig onderzoek op een
gynaecologische stoel). De gynaecoloog kan dan tussen uw benen
staan om te helpen bij de geboorte.
Als een kind in
onvolkomen stuit ligt, met de benen omhoog, worden eerst de
billen geboren, daarna de rest van het lichaam en de armpjes,
en tot slot het hoofd. Bij de geboorte van het hoofd drukt een
assistent vaak boven uw schaambeen, om ervoor te zorgen dat
het hoofd goed het bekken passeert.
De geboorte van een kind in (half-)onvolkomen stuit of
voetligging verloopt hetzelfde, maar dan worden eerst een of
twee beentjes geboren.
De
kans op complicaties bij een vaginale stuitbevalling
Bij elke bevalling kunnen complicaties optreden. De meeste
gynaecologen zijn van mening dat onder de bovenbeschreven
veilige en verantwoorde omstandigheden de kans op complicaties
bij een vaginale stuitbevalling klein is, zeker de kans op
ernstige complicaties. Toch kan de kans op complicaties nooit
helemaal worden uitgesloten.
Aan welke
complicaties moet u denken?
Complicaties
bij de moeder
De kans op complicaties bij de moeder is bij een
stuitbevalling niet groter dan bij een kind in normale
ligging. Wel is er meer kans dat de gynaecoloog tijdens de
bevalling besluit tot een keizersnede, maar ook bij een kind
in hoofdligging kan dit altijd nodig blijken.
Complicaties
bij het kind
Kinderen in stuitligging die ‘gewoon’ (vaginaal) ter
wereld komen, worden vaker kort na de geboorte op de
couveuseafdeling opgenomen dan kinderen die geboren worden na
een keizersnede. Na een gewone bevalling is bij ongeveer 1 op
de 20 kinderen couveuseopname nodig, en dat is ruim 10 keer
vaker dan na een keizersnede. Er bestaan verschillende redenen
voor zo’n opname. Soms heeft het kind na de geboorte
behoefte aan extra zuurstof of moet het geholpen worden bij de
ademhaling. Een
andere reden
voor een couveuseopname is een beschadiging die bij de
geboorte is opgetreden, zoals een botbreuk, een
zenuwbeschadiging of een hersenbloeding. Een dergelijke
beschadiging komt zelden voor (bij ongeveer 1% van alle
kinderen in stuitligging), maar ongeveer tweemaal vaker na een
gewone bevalling dan na een keizersnede.
Of de couveuseopname kort na de geboorte ook gevolgen heeft
voor de gezondheid en ontwikkeling van het kind op lange
termijn, is nog niet bekend.
Een
keizersnede
Voor algemene informatie over deze operatie verwijzen wij u
naar De keizersnede. Hier bespreken wij alleen de kans op
complicaties. Bij een keuze moet u immers alles kunnen
afwegen; daarbij is ook deze informatie van belang.
De
kans op complicaties bij een keizersnede
Complicaties bij de moeder
Alhoewel
een keizersnede op zich een veilige operatie is, brengt iedere
operatie een kleine kans op complicaties met zich mee. Deze
zijn uitgebreid beschreven in de genoemde brochure De
keizersnede.
Het gaat hier meestal om niet-levensbedreigende complicaties.
Sommige, zoals bloedarmoede of trombose, komen ook na een
gewone bevalling voor. Andere, zoals een nabloeding in de
buik, een bloeduitstorting of wondinfectie, een beschadiging
van de blaas, of darmen die niet goed op gang komen, hangen
samen met de keizersnede; ook een blaasontsteking komt na deze
operatie vaker voor dan na een gewone bevalling. Langdurige
ernstige pijn als gevolg van een zenuwbeschadiging bij de
bikinisnede is een zeer zelden voorkomende complicatie. De
kans op ernstige gezondheidscomplicaties
en sterfte als gevolg van de operatie is voor gezonde
zwangeren heel erg klein, maar toch altijd groter dan na een
gewone bevalling.
Complicaties
bij het kind
Ook kinderen die via een keizersnede zijn geboren, lopen
risico op gezondheidsproblemen. Een enkele keer is het ook bij
een keizersnede moeilijk een kind dat in stuitligging ligt uit
de baarmoeder te halen, en kan beschadiging optreden. Een
ander gevaar is dat een keizersnede te vroeg in de
zwangerschap gepland wordt, om een spontane bevalling te
voorkomen. Te vroeg geboren kinderen kunnen longproblemen
hebben waarvoor opname op de couveuseafdeling noodzakelijk is.
Gevolgen voor
latere zwangerschappen
Het
litteken in de baarmoeder is een nadeel voor een volgende
zwangerschap. U krijgt dan het advies in het ziekenhuis te
bevallen, omdat zo’n litteken een verhoogde kans op
complicaties tijdens een volgende bevalling met zich
meebrengt. Voorbeelden daarvan zijn het openscheuren van het
litteken, een voorliggende moederkoek, of een moederkoek die
heel vast met de baarmoeder vergroeid is, zodat zelfs een
baarmoederverwijdering noodzakelijk is. Hoewel deze
complicaties zeer zelden voorkomen,
treden ze vaker op na een keizersnede dan na een gewone
bevalling.
Het
maken van een keuze
Als het voor u als aanstaande ouders mogelijk is te kiezen
tussen een gewone bevalling of een keizersnede, is het
belangrijk dat u alle argumenten zo goed mogelijk op een rij
zet. Velen zijn in eerste instantie geneigd te denken dat een
keizersnede de veiligste weg is voor hun kind om geboren te
worden, maar zij vergeten dat aan een keizersnede ook nadelen
kleven. We vatten daarom de voor- en nadelen van beide wijzen
van bevallen nog eens samen.
Voor-
en nadelen van een gewone bevalling en een keizersnee op een
rij
| |
Voordelen |
Nadelen |
| Gewone
bevalling |
geen
keizersnede met de nadelen
die daarbij horen |
iets
meer kans op
gezondheidsproblemen van het
kind kort na de geboorte |
|
kortere
ziekenhuisopname en een
sneller herstel |
|
|
u
kunt een volgende keer
eventueel thuis bevallen |
|
|
|
|
| Keizersnede |
iets
minder kans op
gezondheidsproblemen van het
kind kort na de geboorte |
langere
ziekenhuisopname en
langzamer herstel |
|
|
meer
kans op complicaties voor
de moeder |
|
|
bij
een volgende zwangerschap
geen thuisbevalling mogelijk |
|
|
iets
meer kans op complicaties
tijdens een volgende bevalling
|
Tot
slot
U vindt in deze brochure zeer veel informatie. Aarzel niet om
vragen en onduidelijkheden met de gynaecoloog te bespreken.
NVOG-brochures
-Zwanger, algemene informatie
-Bloedgroep, rhesusfactor en irregulaire antistoffen
-De keizersnede
Behalve bij uw gynaecoloog kunt u deze brochures vinden op de
website van de NVOG:
http://www.nvog.nl , rubriek voorlichting