|
|
||
|
Conservative treatment for women with stress incontinence and bladder overactivity |
|
| Bary
Berghmans, Maastricht
|
||
|
Dit
proefschrift richt zich op de fysiotherapeutische behandeling van
dysfuncties van de lagere urinewegen bij vrouwen met als gevolg
inspanningsgebonden (stress-) urine-incontinentie, aandrangklachten,
frequent toiletgebruik en/of aandrangs
(urge-) urine-incontinentie vanwege een overactieve blaas. In dit
proefschrift is een inventarisatie gemaakt van de huidige stand van kennis
en kunde betreffende de conservatieve therapie. Tevens is getoetst of de
conservatieve behandeling van vrouwen met stress urine-incontinentie en/of
een overactieve blaas effectief is. De
International Continence Society definieert urine-incontinentie als
objectief aantoonbaar onvrijwillig urineverlies dat een sociaal en
hygienisch probleem vormt. Op een totale bevolking van 15 miljoen wordt de
prevalentie van urine-incontinentie in Nederland bij vrouwen ouder dan 5
jaar geschat op 8,5 % en bij mannen op 2,5%. Bij thuiswonende vrouwen van
60 jaar en ouder was de prevalentie van urine-incontinentie 23,5%.
Omdat
urine-incontinentie zich veel vaker voordoet bij vrouwen dan bij mannen,
zal dit proefschrift zich uitsluitend richten op vrouwen met
urine-incontinentie, met name vrouwen met stress urine-incontinentie en/of
een overactieve blaas. Er
zijn een aantal vormen van urine-incontinentie. Stress urine-incontinentie
komt het meest voor bij vrouwen. Uit de literatuur bleek dat bijna de
helft van de vrouwen met urine-incontinentie stress urine-incontinentie
had (49%). Bij stress
urine-incontinentie treedt urineverlies op bij plotse intra-abdominale
drukverhoging. Er is sprake van stress urine-incontinentie als
onwillekeurig urineverlies optreedt indien bij fysieke inspanning de
intravesicale druk de maximale urethradruk overschrijdt in de afwezigheid
van aktiviteit van de blaasspier (m. detrusor vesicae). Na stress
urine-incontinentie is detrusorinstabiliteit of een overactieve blaas de
meest voorkomende dysfunctie bij vrouwen (22%). Een overactieve blaas
wordt door de International Continence Society gedefinieerd als een
dysfunctie in de vulling/opslag waarbij onwillekeurige blaascontracties
worden aangetoond terwijl de patiënt probeert deze te onderdrukken. De
symptomen bij een overactieve blaas zijn aandrang en/of frequent
toiletgebruik en/of nachtelijk plassen (nycturie) en/of
aandrang-incontinentie (urge urine-incontinentie). Deze symptomen kunnen
apart voorkomen of in combinatie. Behandelmethoden
voor urine-incontinentie zijn over het algemeen gebaseerd op een aantal
chirurgische interventies, geneesmiddelen en verschillende vormen van
conservatieve therapie. In
de preventie en de conservatieve behandeling van
stress urine-incontinentie en een overactieve blaas worden
verschillende behandelingsvormen, zoals oefentherapie in combinatie met of
zonder biofeedback en electrostimulatie of electrostimulatie alleen, uitgevoerd door fysiotherapeuten. Om de rationale voor deze
behandelvormen maatschappelijk te kunnen rechtvaardigen moet aangetoond
worden dat fysiotherapie daadwerkelijk invloed heeft op het ziekteverloop
en de conditie van de patiënt. Een uitstekende mogelijkheid om de
effectiviteit van conservatieve behandelmethoden aan te tonen is een
gerandomiseerde effectstudie. Daarnaast bieden systematische overzichten
op basis van methodologische criteria de mogelijkheid de kwaliteit van de
geïncludeerde gerandomiseerde effectstudies
te beoordelen en zo de bewijskracht voor de effectiviteit van de
ingestelde therapie te ondersteunen. Richtlijnen op het gebied van de
fysiotherapie gebruikt bij diagnostiek, behandeling en de preventie van
patiënten met lage urinewegdysfuncties leveren een bijdrage aan de
verbetering van de kwaliteit van de conservatieve behandeling van deze
klacht. Na
een inleiding in hoofdstuk 1 wordt in hoofdstuk 2 een systematisch
overzicht van gerandomiseerde effectstudies
beschreven met het doel inzicht te verschaffen in de effectiviteit
van conservatieve behandeling en preventie bij volwassen vrouwen met
stress urine-incontinentie. In totaal werden 24 studies (22
interventiestudies en twee ter preventie) geïncludeerd. In het algemeen
was de gemiddelde methodologische kwaliteit van de studies matig. Echter,
op basis van de kwaliteit van de studies met betrekking tot
bekkenbodemspieroefeningen, bleek dat er sterk bewijs was dat
bekkenbodemspieroefeningen effectief zijn bij het verminderen van de aan
stress urine-incontinentie gerelateerde symptomen. Het bewijs was beperkt
voor bekkenbodemspieroefeningen met een hoge versus een lage intensiteit.
Er was duidelijk bewijs dat biofeedback in combinatie met
bekkenbodemspieroefeningen niet effectiever is dan
bekkenbodemspieroefeningen alleen. Er was wel een positieve trend ten
gunste van biofeedback in het eerste traject van behandeling, nl.gedurende
de eerste 6 behandelingen. Ten aanzien van electrostimulatie bestond er
geen eenduidigheid betreffende de meest geschikte stroomvorm en de
prikkelparameters. Indien de resultaten van de electrostimulatie-studies
werden gecombineerd kon men concluderen dat electrostimulatie effectiever
was dan placebo-electrostimulatie. Er was nauwelijks bewijs dat er
verschil is tussen electrostimulatie en andere fysiotherapeutische
behandelvormen. Conclusies over de effectiviteit van
bekkenbodemspieroefeningen ter preventie van stress
urine-incontinentie konden niet worden getrokken. Hoofdstuk
3 bevat een gerandomiseerde effectstudie onder 40 vrouwen van 18 tot 70
jaar waarbij de rol van biofeedback als
een toevoeging aan een standaard oefenprogramma met
bekkenbodemspieroefeningen vergeleken werd met hetzelfde oefenprogramma
zonder biofeedback bij vrouwen met stress
urine-incontinentie. De resultaten van de verbandtest voor zowel de groep
met de standaardbehandeling als de groep met biofeedback toonden een
gemiddelde verbetering van 55 % na twaalf behandelingen aan (p<0,01).
Deze verbetering in de groep met biofeedback werd reeds na 6 behandelingen
bereikt. Na twaalf behandelingen waren in de groep met de
standaardbehandeling 3 patiënten genezen (15%), 14 patiënten verbeterd
(70%) en 3 patiënten waren er slechter aan toe (15%). In de groep met
biofeedback waren deze aantallen resp. 5, 14 en 1 (25%, 70%, 5%). Op
basis van de resultaten van de
symptoomvragenlijst was er geen verschil tussen de twee groepen na
6 en 12 behandelingen. De grootste verbetering in de groep met
biofeedback ten opzichte van de groep met de standaardbehandeling was te
zien na 6 behandelingen, hetgeen overeenkomt met de bevindingen van de
verbandtest. Met de gegevens van het patiëntendagboek kon onder andere
het gemiddeld aantal keren urineverlies per week berekend worden. Het
verschil in afname tussen de groepen na 6 en 12 behandelingen was niet
significant. Er was geen verschil tussen beide groepen op basis van de
gecombineerde effectmaat. Echter, als bij een lineaire regressie analyse
rekening gehouden werd met het drinkgedrag en het lichaamsgewicht, bleek
er na 6 behandelingen een significant verschil tussen beide groepen te
zijn ten gunste van biofeedback. Dit resultaat kon niet worden bereikt na
12 behandelingen.Uit de verkregen resultaten blijkt dat een standaard
oefenbehandeling met en zonder biofeedback effectieve behandelvormen zijn
voor vrouwen met milde en matige vormen van stress urine-incontinentie.
Biofeedback als toevoeging
aan een standaard oefenprogramma had de meeste waarde tijdens de eerste 6
behandelsessies in de eerste twee weken van behandeling. Biofeedback zou
sneller resultaat kunnen opleveren en kostenbesparend kunnen werken.
In
hoofdstuk 4 worden evidence-based en systematische richtlijnen voor
fysiotherapie bij stress urine-incontinentie beschreven. Professionele
samenwerking tussen de verwijzend arts en de fysiotherapeut is vereist om
de indicatie fysiotherapie te kunnen stellen. Op basis van het
diagnostisch proces blijft het vaststellen van de aard van de
onderliggende pathologie waardoor stress urine-incontinentie is
veroorzaakt min of meer onduidelijk. De vraag of en in welke mate
fysiotherapie kan bijdragen aan het behandelen van stress
urine-incontinentie kan daarom niet altijd zonder meer beantwoord worden.
In zulke gevallen moet fysiotherapie als een “test-behandeling”
gegeven worden. Hoofdstuk
5 heeft als onderwerp een systematisch overzicht van gerandomiseerde
effectstudies met betrekking
tot conservatieve therapie voor vrouwen met urge urine-incontinentie. De
doelstelling van dit overzicht is het geven van inzicht in de
effectiviteit van conservatieve behandeling bij volwassen vrouwen met urge
urine-incontinentie . In totaal werden 15 studies geïncludeerd. De
methodologische kwaliteit van de studies was wederom matig. Een
kwalitatieve samenvatting resulteerde in zwak bewijs dat blaastraining
meer effectief is dan geen behandeling en dat blaastraining beter is dan
medicatie. In geen enkele studie werd dezelfde vorm van electrostimulatie
of dezelfde prikkelparameters
gebruikt. Er was onvoldoende bewijskracht dat electrostimulatie
effectiever is dan placebo-electrostimulatie . Momenteel is er onvoldoende
onderzoek gedaan naar de effecten van bekkenbodemspieroefeningen met of
zonder biofeedback en toilettraining bij vrouwen met urge
urine-incontinentie. De
in hoofdstuk 6 beschreven gerandomiseerde effectstudie onder 83 vrouwen
van 22-82 jaar onderzoekt de effectiviteit van verschillende
behandelvormen van fysiotherapie bij vrouwen met een overactieve blaas.
Het effect van electrostimulatie alleen, van bekkenbodemspieroefeningen
samen met blaastraining alleen en van de combinatie van beide
therapievormen werd vergeleken met een controlegroep die geen behandeling
kreeg. Op basis van de in dit onderzoek gebruikte objectieve effectmaat,
de Detrusor AktiviteitsIndex (DAI), leek in de praktijk en thuis
uitgevoerde electrostimulatie een effectieve behandelvorm te zijn voor
vrouwen met een overactieve blaas. Ook bekkenbodemspieroefeningen samen
met blaastraining lieten een positieve trend in verbetering van de
symptomen zien. De in dit onderzoek gebruikte combinatietherapie bleek
niet effectief te zijn. Alhoewel er een positieve trend
was wat betreft de subjectieve resultaten van urine-incontinentie
op de dagelijkse aktiviteiten, moeten deze resultaten met voorzichtigheid
beschouwd worden. Om de resultaten van dit onderzoek te bevestigen is
vervolgonderzoek van hoge methodologische kwaliteit nodig. In
hoofdstuk 7 volgt een algemene discussie en conclusies met betrekking tot
conservatieve behandeling van stress urine-incontinentie en een
overactieve blaas. In
het algemeen was de gemiddelde methodologische kwaliteit van de
geincludeerde studies in de beide systematische overzichten matig. De
conclusie was dat meer gerandomiseerde effectstudies met betrekking tot
fysiotherapie nodig zijn. Uit de resultaten van het systematisch overzicht
en de gerandomiseerde effectstudie met betrekking tot de effectiviteit van
biofeedback bij vrouwen met stress urine-incontinentie bleek dat
bekkenbodemspieroefeningen alleen en in combinatie met biofeedback even
effectief waren. Biofeedback als toevoeging aan bekkenbodemspieroefeningen
was niet effectiever dan bekkenbodemspieroefeningen alleen, behalve
mogelijk in de eerste behandelperiode.
Bij vrouwen met een overactieve blaas bleek electrostimulatie, in de praktijk en thuis toegepast, effectief te zijn. Oefentherapie voor de lagere urinewegen gaf een positieve trend in verbetering. De combinatie van beide therapievormen gaf geen verbetering. Er is weinig bewijs dat blaastraining effectiever is dan geen therapie of geneesmiddelen.
|
||
| |
||