|
NVOG , 8 maart 2000
In deze brochure wordt beschreven waarom
uitstrijkjes van de baarmoederhals worden gemaakt, hoe een uitstrijkje
wordt beoordeeld, en wat er aan de hand kan zijn bij een afwijkend
uitstrijkje. Het onderzoek bij een afwijkend uitstrijkje en mogelijke
behandelingen komen ter sprake.
Inhoudsopgave
30.
Woordenlijst
1 Advies voor het lezen van deze brochure
Huisartsen geven steeds vaker schriftelijke
informatie over een afwijkend uitstrijkje in een patiëntenbrief. De
inhoud daarvan is gedeeltelijk hetzelfde als het eerste deel van deze
brochure. Hebt u de patiëntenbrief al van uw huisarts gekregen, dan kunt
u deze brochure lezen vanaf paragraaf 15, 'Onderzoek door de gynaecoloog'.
2 Inleiding
In deze brochure wordt beschreven waarom
uitstrijkjes worden gemaakt, hoe een uitstrijkje wordt beoordeeld, en wat
er aan de hand kan zijn bij een afwijkend uitstrijkje. Het onderzoek bij
een afwijkend uitstrijkje en mogelijke behandelingen komen ter sprake.
Hebt u na het lezen nog vragen of is iets niet duidelijk, aarzel dan niet
dat met uw arts te bespreken.
3 Wat is een uitstrijkje?
Bij een uitstrijkje worden cellen van de
baarmoederhals afgenomen. Ze worden op een rechthoekig glaasje
uitgestreken. Daarna vindt onderzoek in het laboratorium plaats.
4 Waarom worden uitstrijkjes gemaakt?
Uitstrijkjes worden gemaakt om te onderzoeken of
u een voorstadium van baarmoederhalskanker hebt. Bij een normaal
uitstrijkje is de kans op baarmoederhalskanker heel klein. Bij een
voorstadium is er een kleine kans dat zich later baarmoederhalskanker
ontwikkelt. Een eenvoudige behandeling van zon voorstadium kan een
grote operatie voor kanker vele jaren later voorkomen.
5 Bij wie wordt een uitstrijkje gemaakt?
Alle vrouwen tussen de 30 en 60 jaar krijgen via
het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker eenmaal in de vijf jaar een
oproep om een uitstrijkje bij de huisarts te laten maken. Zo worden soms
afwijkingen gevonden bij vrouwen die geen klachten hebben.
Klachten van tussentijds bloedverlies, bloederige afscheiding of
bloedverlies na gemeenschap (samenleving) kunnen een reden zijn om een
extra uitstrijkje te maken, ook op jongere of oudere leeftijd.
6 Hoe wordt een uitstrijkje gemaakt?
U neemt u plaats op een onderzoekstoel met uw
benen gespreid. De arts brengt een speculum (eendenbek) in de schede
(vagina) in. Hierna wordt het speculum geopend. Zo wordt de baarmoederhals
- het onderste deel van de baarmoeder - zichtbaar. De arts neemt met een
houten spatel of een borsteltje cellen van de baarmoederhals af en strijkt
ze uit op een glaasje. Dit glaasje wordt naar het laboratorium opgestuurd.
De cellen op het glaasje worden daar gekleurd en onder de microscoop
beoordeeld. Bij het bevolkingsonderzoek maakt soms de doktersassistente
het uitstrijkje.
het maken van een
uitstrijkje
7 Wat voelt u bij het maken van een uitstrijkje?
Over het algemeen is het maken van een
uitstrijkje niet pijnlijk, maar het inbrengen van het speculum en het
afnemen van de cellen kan wel kortdurend een onaangenaam gevoel geven.
Soms bloedt de baarmoederhals na het maken van het uitstrijkje. Dit kan
geen kwaad. Het bloedverlies stopt meestal binnen een dag.
Een volle blaas of darm geeft soms een vervelend gevoel. Als het speculum
geopend wordt, drukt het tegen de blaas en darm aan. Het is daarom
verstandig eerst naar het toilet te gaan.
Als u nog nooit gemeenschap (samenleving) hebt gehad en ook nooit tampons
hebt gebruikt, is het maagdenvlies niet opgerekt. Het maken van een
uitstrijkje is dan moeilijk, en veel artsen vinden het dan niet
noodzakelijk. Meer informatie vindt u in paragraaf 14.
Er kunnen nog andere redenen zijn om tegen het onderzoek op te zien,
bijvoorbeeld negatieve seksuele ervaringen in het verleden. Aarzel niet
dit aan de arts te vertellen. Deze houdt er dan rekening mee. Het is
belangrijk dat u de tijd vraagt en krijgt om de spieren rond de schede
zoveel mogelijk te ontspannen.
Sommige vrouwen vinden het plezierig met een spiegel mee te kijken, zodat
zij zien hoe de baarmoederhals er uitziet.
8 Wanneer kunt u het laten maken van een uitstrijkje beter uitstellen?
Als u menstrueert (ongesteld bent) kunt u het
laten maken van een uitstrijkje beter uitstellen. Door het bloed kunnen de
cellen niet goed bekeken worden in het laboratorium. Ook tijdens de
zwangerschap of het geven van borstvoeding zijn de cellen moeilijk te
beoordelen. U kunt dan wachten tot een halfjaar na de bevalling of een
halfjaar nadat u met de borstvoeding gestopt bent.
9 Wat onderzoekt men bij een uitstrijkje?
De baarmoederhals is bekleed met twee soorten
cellen. Plaveiselcellen, een soort platte cellen, bekleden de wand van de
vagina (schede) en de buitenkant van de baarmoederhals. Het kanaaltje in
de baarmoederhals naar de binnenkant van de baarmoederholte is bekleed met
cellen die slijm maken. Deze cellen van de binnenkant (endo) van de
baarmoederhals (cervix) worden endocervicale cellen of cilindercellen
genoemd. Bij een uitstrijkje bekijkt men in het laboratorium of beide
soorten cellen aanwezig zijn en hoe ze er uitzien. Ook ziet men soms of er
aanwijzingen zijn voor een infectie of ontsteking door bacteriën of
virussen.
de baarmoederhals
10 Wat betekent de uitslag?
De kwaliteit
In het laboratorium wordt eerst gekeken of de cellen goed te beoordelen
zijn. Soms is er te veel bloed aanwezig. Onderzoek is dan niet goed
mogelijk. Soms zijn er te weinig cellen op het glaasje aanwezig. Ook
kunnen de endocervicale cellen ontbreken. Bij sommige vrouwen is het
moeilijk een uitstrijkje van goede kwaliteit af te nemen. Het uitstrijkje
wordt dan herhaald.
De uitslag
Er bestaan twee soorten uitslagen van een uitstrijkje: de Pap-uitslag en
de KOPAC-uitslag.
- Pap is een afkorting van Papanicolaou, degene die deze indeling van de
uitslagen van uitstrijkjes heeft gemaakt.
- Bij de KOPAC-uitslag staat elke letter voor een onderdeel van de
beoordeling: K voor kwaliteit, O voor een ontsteking, P voor
plaveiselcellen, A voor andere afwijkingen en C voor cilindercellen.
Soms geeft het laboratorium een van beide uitslagen, soms beide.
De Pap-uitslagen lopen van 1 tot 5. Pap 1 betekent een normaal
uitstrijkje. Bij een hogere Pap-uitslag is er reden voor herhaling of
onderzoek door de gynaecoloog. Bij Pap 0 is het uitstrijkje niet goed te
beoordelen.
De KOPAC-uitslag geeft voor elke letter een cijfer tussen 0 en 9. Zo
betekent P1 normale plaveiselcellen. Bij P2 t/m P4 adviseert men een
herhalingsuitstrijkje na zes maanden, en bij P5 of hoger onderzoek door de
gynaecoloog. Ook een hoog cijfer van een andere letter is soms reden voor
verder onderzoek.
Soms wordt in de uitslag over dysplasie gesproken. Dysplasie betekent dat
het weefsel van de baarmoederhals een andere opbouw heeft dan
gebruikelijk. Daardoor is het uitstrijkje afwijkend. Als de uitslag van
het uitstrijkje dysplasie vermeldt, verwacht men dat er in het weefsel
dysplasie aanwezig is. Er kan worden gesproken over lichte, matige of
ernstige dysplasie.
De verschillende Pap-uitslagen op een rij
Hieronder staan de meest voorkomende uitslagen vermeld. Bij een
uitstrijkje worden alleen losse cellen bekeken. Als er afwijkende cellen
zijn, is het niet mogelijk precies te vertellen wat er aan de hand is.
Weefselonderzoek geeft daar meer informatie over. Wij kunnen daarom alleen
in grote lijnen aangeven wat u kunt verwachten naar aanleiding van de
uitslag.
Pap 0
Het uitstrijkje is niet goed te beoordelen, vaak omdat er te weinig cellen
aanwezig zijn. Soms zijn er onvoldoende endocervicale cellen. Ook kan er
te veel bijmenging van bloed zijn. Het advies is bijna altijd om het
uitstrijkje te herhalen. Meestal is er dan een normale uitslag. Een enkele
keer lukt het ook volgende keren niet een goede kwaliteit van het
uitstrijkje te krijgen. De huisarts kan u dan naar de gynaecoloog
verwijzen.
Pap 1
Het uitstrijkje is normaal. Het advies is dan om het onderzoek na vijf
jaar te herhalen.
Pap 2
In het uitstrijkje zijn enkele cellen aanwezig die er iets anders uitzien
dan normaal. Duidelijk afwijkend zijn ze niet. Daarom adviseert men het
uitstrijkje na een halfjaar te herhalen. Vaak is er dan weer een normaal
beeld. Voor de zekerheid wordt het onderzoek dan een jaar later nogmaals
herhaald. Als de uitslag tweemaal een Pap 2 is, wordt onderzoek door de
gynaecoloog geadviseerd. Meestal is geen behandeling noodzakelijk.
Pap 3a
Er worden licht afwijkende cellen gevonden; men spreekt soms ook van
lichte of matige dysplasie. Het advies is dan herhaling door de huisarts
of verder onderzoek door de gynaecoloog. In dat laatste geval blijken bij
de helft van de vrouwen de afwijkingen zo gering te zijn dat geen
behandeling nodig is. De andere helft krijgt het advies voor een
eenvoudige behandeling van de baarmoederhals.
Pap 3b
De cellen zijn iets meer afwijkend dan bij een Pap 3a; men spreekt soms
ook van ernstige dysplasie. Verder onderzoek door de gynaecoloog is nu
verstandig. De kans dat een eenvoudige behandeling van de baarmoederhals
wordt geadviseerd, is groter dan bij een Pap 3a.
Pap 4
De cellen zijn wat sterker afwijkend dan bij een Pap 3a of een Pap 3b. Ook
hier wordt verder onderzoek door de gynaecoloog aanbevolen. Over het
algemeen moet u rekening houden met een grote kans (90%) op een eenvoudige
behandeling van de baarmoederhals.
Pap 5
De cellen zijn sterk afwijkend, en de uitslag kan passen bij kanker van de
baarmoederhals. Het is verstandig dat u op korte termijn door de
gynaecoloog onderzocht wordt. Soms alarmeert het uitstrijkje ten onrechte,
maar soms is er ook sprake van baarmoederhalskanker. Een uitgebreide
behandeling in de vorm van operatie en/of bestraling is dan noodzakelijk.
11 Hoe vaak komen afwijkende uitstrijkjes voor?
Van elke 100 vrouwen zonder klachten die bij het
bevolkingsonderzoek een uitstrijkje laten maken, is bij 5 het uitstrijkje
afwijkend. Bij heel lichte afwijkingen van het uitstrijkje is er 10% kans
op een voorstadium van baarmoederhalskanker. Naarmate het uitstrijkje meer
afwijkend is, neemt deze kans toe. Zo is de kans op een voorstadium van
baarmoederhalskanker bij een uitstrijkje met ernstige afwijkingen ongeveer
90%.
12 Betekent een afwijkend uitstrijkje dat u zich zorgen moet maken?
Voor bijna alle vrouwen betekent de uitslag van
een afwijkend uitstrijkje een grote schok, alleen al omdat er iets niet
goed is en verdere controle of onderzoek geadviseerd wordt. De angst voor
baarmoederhalskanker is invoelbaar, maar bijna altijd onnodig. Niet zelden
is een afwijkend uitstrijkje loos alarm. Zo wordt bij meer dan de helft
van de vrouwen met eenmaal Pap 3a zelfs geen voorstadium van
baarmoederhalskanker gevonden, laat staan baarmoederhalskanker. Bij
uitstrijkjes met een hogere uitslag neemt de kans op een voorstadium van
baarmoederhalskanker toe, maar de kans op kanker is nog steeds klein. Een
voorstadium is goed en gemakkelijk te behandelen.
13 Betekent een normaal uitstrijkje dat er geen reden is voor verder
onderzoek?
Bij een normale uitslag kunt u gerust vijf jaar
wachten tot het volgende bevolkingsonderzoek. Maar als er klachten zijn
van bloedverlies tussen de menstruaties door of van bloedverlies tijdens
of na gemeenschap (samenleving) is het verstandig naar de huisarts te
gaan. Deze beoordeelt of het zinvol is een extra uitstrijkje te maken of
onderzoek naar een ontsteking te doen.
14 Waardoor worden afwijkende uitstrijkjes veroorzaakt, en wat is het
verband met HPV?
Veel vrouwen vragen zich af waarom hun
uitstrijkje afwijkend is. Het antwoord hierop is niet zo simpel. Het is
bekend dat afwijkende uitstrijkjes iets te maken kunnen hebben met een
infectie met het humaan papillomavirus (HPV). Er zijn verschillende
soorten van dit virus; sommige komen vaker voor bij afwijkende
uitstrijkjes en baarmoederhalskanker, andere veroorzaken wratjes op de
huid.
Vrouwen kunnen het virus krijgen bij gemeenschap. Geschat wordt dat 80-90%
van alle vrouwen geïnfecteerd wordt met HPV. Bij heel veel vrouwen
geneest deze infectie (die geen klachten geeft) vanzelf, maar sommige
vrouwen blijven het virus bij zich dragen. Waarom sommige vrouwen die het
virus bij zich dragen, een afwijkend uitstrijkje krijgen, en andere
vrouwen niet, is niet bekend. U kunt er zelf niets aan doen om het virus
kwijt te raken en het afwijkende uitstrijkje weer normaal te laten worden.
Om meer te weten te komen over het verband met afwijkende uitstrijkjes
wordt in sommige ziekenhuizen onderzoek naar HPV gedaan. De arts vraagt u
dan of u toestemt in het afnemen van een viruskweek.
Omdat het virus via gemeenschap aan de seksuele partner kan worden
overgedragen, hebben vrouwen soms het gevoel dat zij een geslachtsziekte
hebben. Zij vragen zich af of zij of hun partner schuld hebben door
seksuele contacten met andere partners in het verleden. Vrouwen die een
relatie hebben waarbij geen van beiden ooit seksuele contacten met anderen
heeft gehad, vragen zich soms af of hun partner niet toch andere seksuele
contacten heeft gehad. Dergelijke gevoelens zijn begrijpelijk, maar omdat
HPV-infecties zoveel voorkomen, twijfelen sommige artsen eraan of het
virus alleen door gemeenschap wordt overgedragen. Bovendien is niet bij
alle afwijkende uitstrijkjes sprake van besmetting met HPV.
Vrouwen die nooit gemeenschap hebben gehad, hebben minder kans om het
virus bij zich te dragen. De meeste artsen vinden dan de kans op
baarmoederhalskanker zo klein dat zij een uitstrijkje niet nodig vinden.
Lesbische vrouwen die ooit in het verleden heteroseksuele contacten
(zonder condooms) hebben gehad, hebben evenveel kans als heteroseksuele
vrouwen op een afwijkend uitstrijkje.
15 Onderzoek door de gynaecoloog: kolposcopie
Als de huisarts u naar de gynaecoloog verwijst
in verband met een afwijkende uitslag, onderzoekt de gynaecoloog de
baarmoederhals nauwkeurig. Dit onderzoek wordt een kolposcopie genoemd.
Meestal wordt er ook weefsel (biopt) van de baarmoederhals weggenomen voor
onderzoek. Deze onderzoeken worden hieronder beschreven. Het is
afhankelijk van de uitslag van het colposcopisch onderzoek en het
weefselonderzoek of behandeling nodig is. De verschillende behandelingen
worden verderop beschreven.
16 Wat is een kolposcopie?
Een kolposcopie is een onderzoek waarbij de
gynaecoloog de baarmoederhals nauwkeurig bekijkt. Net als bij het maken
van het uitstrijkje brengt de arts een speculum (eendenbek) in de schede.
Voor de ingang van de schede wordt nu een kolposcoop geplaatst. Dit is een
instrument dat een beetje lijkt op een verrekijker. De arts kijkt hier
doorheen en ziet het weefsel van de baarmoederhals vergroot.
Soms is de kolposcoop aangesloten op een monitor, een televisiescherm. U
kunt dan zelf meekijken. De baarmoederhals wordt natgemaakt met een
azijnoplossing of een soort jodium om het weefsel goed te kunnen
beoordelen. Het natmaken kan een wat prikkend gevoel geven.
Als u menstrueert (ongesteld bent) kunt u de afspraak voor de kolposcopie beter uitstellen tot de menstruatie is afgelopen.
17 Wat wordt er bekeken bij een kolposcopie?
In paragraaf 9 beschreven wij dat de
baarmoederhals bekleed is met twee soorten cellen: plaveiselcellen en
endocervicale of cilindercellen. Het overgangsgebied tussen deze twee
soorten cellen heet de overgangs- of transformatiezone. Afwijkende cellen
in het uitstrijkje zijn bijna altijd afkomstig van dit gebied. Bij kolposcopie
wordt dit gebied nauwkeurig bekeken. Als afwijkende plekjes
zichtbaar zijn, neemt de arts vaak een stukje weefsel weg voor onderzoek.
18 Een biopsie (weefselonderzoek): wat merkt u ervan?
De gynaecoloog vertelt aan u als hij of zij van
plan is een weefselstukje (biopt) af te nemen. Met een klein instrument
wordt een stukje weefsel weggehapt (biopsie). Vaak gebeurt dit op een paar
plaatsen. Soms wordt er ook wat weefsel aan de binnenzijde van de
baarmoederhals weggeschraapt. Het afnemen van een stukje weefsel kan
kortdurend een pijnlijk gevoel geven, maar niet zo erg dat plaatselijke
verdoving nodig is. Soms vraagt de gynaecoloog of u wilt hoesten: u voelt
de pijn dan minder.
Door het nemen van een biopt ontstaat er een wondje van de baarmoederhals,
dat kan bloeden. Als er ruim bloedverlies is, stipt de arts het wondje
soms aan met een bijtende stof. Dit geeft een wat krampend gevoel in de
onderbuik. Soms brengt de gynaecoloog een tampon in de schede om het
bloedverlies te stoppen. U kunt deze tampon thuis zelf weer naar buiten
trekken. De arts vertelt u, wanneer u dit kunt doen. In andere gevallen is
maandverband voldoende. Meestal stopt het bloedverlies binnen een paar
dagen. Zolang er bloedverlies is, is het beter om geen gemeenschap te
hebben.
19 Een speciale soort biopsie: lisbiopsie
Soms wordt een lisbiopt afgenomen. Hiermee neemt
de gynaecoloog een groter stuk weefsel weg. De baarmoederhals wordt dan
eerst plaatselijk verdoofd door een dunne naald. Het inspuiten van de
verdoving kan enigszins pijnlijk zijn. Daarna voelt u over het algemeen
niets meer van het afnemen van het lisbiopt zelf.
Een lisbiopsie gebeurt met een dun metalen lisje, dat elektrisch verhit
wordt. De verhitte lis schilt als het ware een stukje van de
baarmoederhals weg, op de plaats van het afwijkende weefsel.
Tegelijkertijd worden bloedvaatjes door de hitte dichtgeschroeid. Om de
elektrische stroom te geleiden krijgt u tijdens de ingreep een plastic
plakker op uw been. Het schroeien van het weefsel geeft vaak een
branderige geur.
Als het afwijkende plekje niet al te groot is, probeert de gynaecoloog
soms tijdens de lisbiopsie het hele plekje te verwijderen. Een lisbiopt
kan enkele centimeters groot zijn en meer dan een halve centimeter dik.
Na een lisbiopsie kunt u een tot twee weken nog bloederige afscheiding
hebben die vies kan ruiken. Het is verstandig met gemeenschap te wachten
tot de afscheiding verdwenen is.

een lis

een lisbiopt
20 De uitslag van de kolposcopie en het weefselonderzoek
Hoe krijgt u de uitslag te horen?
De gynaecoloog vertelt over het algemeen tijdens of na de kolposcopie hoe
de baarmoederhals er uitziet. In de meeste gevallen wordt een
weefselstukje weggenomen dat waarschijnlijk de afwijkende cellen in het
uitstrijkje veroorzaakt. Soms zijn er nauwelijks afwijkingen te zien en
wordt geen biopsie verricht.
Het biopt wordt in het laboratorium door een arts (patholoog) onderzocht.
De uitslag is meestal binnen twee weken bekend. De gynaecoloog bespreekt
met u hoe u de uitslag hoort: telefonisch, schriftelijk of tijdens een
vervolgbezoek.
De verschillende uitslagen
Hieronder beschrijven wij de meest voorkomende uitslagen van
weefselonderzoek. Meestal wordt de uitslag weergegeven als dysplasie.
Dysplasie betekent dat de opbouw van het weefsel wat anders is dan
normaal. Ook wordt veel de term CIN gebruikt. Dit is een afkorting voor
cervicale intra-epitheliale neoplasie, een Engelse benaming voor
dysplasie.
CIN I of lichte dysplasie: de weefselopbouw van de baarmoederhals
is licht afwijkend, maar het is geen kanker (2e blokje van links in
onderstaand plaatje).
CIN II of matige dysplasie: de weefselopbouw van de baarmoederhals
is iets meer afwijkend, maar het is geen kanker (3e blokje van links in
onderstaand plaatje).
CIN III of ernstige dysplasie: de weefselopbouw is nog meer
afwijkend. Men spreekt hier van een voorstadium van baarmoederhalskanker.
Een voorstadium betekent niet dat u zonder behandeling werkelijk kanker
zult krijgen. De meeste vrouwen met een CIN III krijgen ook zonder
behandeling waarschijnlijk nooit baarmoederhalskanker.
De verouderde naam voor een CIN III is een carcinoma in situ. Deze naam is
verwarrend, want er is geen sprake van kanker (meest rechtse blokje in
onderstaand plaatje).
Het linker blokje van onderstaand plaatje toont de normale weefselopbouw.

de uitslag van
weefselonderzoek
21 Wel of niet behandelen
Het is bekend dat een deel van de
weefselafwijkingen zonder behandeling uit zichzelf verdwijnt en geneest.
Als de kans hierop groot is, adviseert de gynaecoloog om af te wachten.
Bij het advies om al dan niet te behandelen speelt mee:
De ernst van de afwijking
CIN I is zelden een reden tot behandeling, omdat er een grote kans
aanwezig is dat de afwijking uit zichzelf weer verdwijnt
CIN II heeft ook nog een kans uit zichzelf te verdwijnen; behandeling is
daarom niet altijd nodig
CIN III heeft slechts een kleine kans spontaan te genezen en kan een
voorstadium van baarmoederhalskanker zijn; of CIN III zich bij u ooit tot
baarmoederhalskanker zal ontwikkelen, valt niet te voorspellen;
zekerheidshalve wordt behandeling geadviseerd aan alle vrouwen met CIN III
De grootte van de afwijking
De grootte van de afwijking is van belang voor de kans dat een afwijking
uit zichzelf verdwijnt; daarom adviseert de gynaecoloog meestal bij een
groot gebied met CIN II een behandeling, en bij een klein gebied met CIN
II niet
De plaats van de afwijking
Afwijkend weefsel dat aan de buitenkant van de baarmoederhals ligt, is
gemakkelijker met de kolposcoop te controleren dan afwijkend weefsel in
het kanaaltje van de baarmoederhals; bij afwijkend weefsel aan deze
binnenkant adviseert de gynaecoloog daarom sneller behandeling
De kans dat de afwijking door weefselonderzoek al is weggenomen
Bij een lisbiopt bestaat de kans dat de hele afwijking al is weggenomen,
maar ook bij een gewoon biopt is soms het afwijkende weefsel al
weggehapt
De
leeftijd
Vrouwen van bijvoorbeeld 20-30 jaar hebben meer kans dat een uitstrijkje
uit zichzelf normaal wordt dan vrouwen van 40-50 jaar; bij jongere vrouwen
adviseert de gynaecoloog dan ook minder vaak een behandeling dan bij een
wat meer gevorderde leeftijd
De aanwezigheid van HPV-virus
In paragraaf 14: Wat is het verband tussen een afwijkend uitstrijkje en
HPV? is al ingegaan op de betekenis van deze virusinfectie. In een
enkel ziekenhuis waar onderzoek naar dit virus wordt gedaan, is de uitslag
van virusonderzoek mogelijk van belang voor het advies wel of niet
behandelen.
22 Geen behandeling: afwachten
Als de gynaecoloog behandeling niet nodig vindt,
krijgt u vaak wel het advies om het uitstrijkje te laten controleren,
bijvoorbeeld na een halfjaar of een jaar. De gynaecoloog bespreekt met u
of de huisarts dit doet of dat u hiervoor op de polikliniek terugkomt. U
moet er rekening mee houden dat het een aantal jaren kan duren voordat het
uitstrijkje zonder behandeling uit zichzelf weer normaal wordt.
23 Soorten behandelingen
Er zijn verschillende soorten behandelingen van
de baarmoederhals. Hieronder beschrijven wij de lisexcisie (lisconisatie,
hotloop), de cryobehandeling, de laserbehandeling en de conisatie. De
soort behandeling is afhankelijk van de plaats van het afwijkende weefsel
op de baarmoederhals, de ernst van de afwijking, en de mogelijkheden die
in het ziekenhuis aanwezig zijn. De gynaecoloog geeft u hierover verdere
informatie. Meestal is het raadzaam dat u niet menstrueert (ongesteld
bent) tijdens een behandeling.
Elektrische behandeling: de lisexcisie (lisconisatie, hotloop)
Wat gebeurt er bij een lisexcisie?
De gynaecoloog schilt bij deze ingreep met een metalen lisje het
afwijkende weefsel weg. Daarna geneest de wond. Soms wordt deze ingreep
ook een lisconisatie of hotloop (hete lis) genoemd.
Hoe verloopt de behandeling?
De behandeling vindt plaats onder plaatselijke verdoving, algehele narcose
of met een ruggenprik.
De behandeling met plaatselijke verdoving gebeurt poliklinisch en duurt
ongeveer een kwartier. U neemt plaats in de gynaecologische
onderzoekstoel. U krijgt een plakker op uw been om elektrische stroom te
geleiden. Nadat een speculum in de schede is gebracht, geeft de arts
plaatselijke verdoving met een dunne naald. De baarmoederhals wordt
gekleurd met azijnoplossing of jodium. Daarna neemt de gynaecoloog met het
verhitte lisje weefsel weg.
Informatie over opname in het ziekenhuis bij narcose of een ruggenprik
vindt u in paragraaf 24.
Wat voelt u ervan?
Het inbrengen van de naald voor de plaatselijke verdoving geeft vaak
kortdurend wat pijn. Als de verdoving is ingewerkt, voelt u over het
algemeen niets meer van de lisexcisie zelf.
Na afloop
Na afloop kunt u ruim een week bloederige afscheiding hebben.

een baarmoederhals
met dysplasie of CIN

het afwijkende
gebied wordt met een lisexcisie verwijderd
Bevriezen: cryobehandeling
Wat gebeurt er bij bevriezen?
De gynaecoloog bevriest bij deze ingreep het afwijkende weefsel van de
baarmoederhals. Daarna geneest de wond.
Hoe verloopt de behandeling?
De behandeling gebeurt op de polikliniek en duurt ongeveer een kwartier. U
neemt plaats in de gynaecologische onderzoekstoel. De arts brengt een
speculum in de schede. Daarna plaatst hij of zij een metalen stift op de
baarmoederhals. De stift is verbonden met een lang instrument dat
vloeibare stikstof vervoert, en daardoor ijskoud wordt. Ook de plaats waar
de arts de stift tegen de baarmoederhals aanhoudt, wordt ijskoud en
bevriest. Na zon drie tot vijf minuten stopt de toevoer van vloeibare
stikstof. De stift en de baarmoederhals ontdooien dan. Vaak wordt na
enkele minuten de baarmoederhals een tweede keer voor een paar minuten
bevroren.
Wat voelt u ervan?
Het bevriezen van de baarmoederhals geeft vaak een menstruatie-achtig
gevoel. Soms kan er krampende buikpijn zijn. U kunt eventueel zon half
uur voor het bevriezen een tablet tegen menstruatiepijn innemen.
Na afloop
Na afloop kunt u een vrij lange periode (soms wel zes weken) afscheiding
hebben. In die periode wordt het bevroren weefsel afgestoten en geneest de
wond. De afscheiding is vaak waterdun en ruikt nogal eens vies.
Verdampen: laserbehandeling
Wat gebeurt er bij een laserbehandeling?
De gynaecoloog verdampt bij deze ingreep met een laserstraal het
afwijkende weefsel van de baarmoederhals. Het sterft hierdoor af. Daarna
groeit nieuw gezond weefsel aan.
Hoe verloopt de behandeling?
De behandeling vindt plaats onder plaatselijke verdoving, algehele narcose
of met een ruggenprik.
De behandeling met plaatselijke verdoving duurt ongeveer een kwartier. U
neemt plaats in de gynaecologische onderzoekstoel. De arts brengt een
speculum in de schede in. Daarna wordt plaatselijke verdoving gegeven. Dit
gebeurt met een dunne naald. De baarmoederhals wordt gekleurd met een
azijnoplossing of jodium. Het afwijkende weefsel wordt vervolgens met
behulp van laserstralen verdampt.
Informatie over opname in het ziekenhuis bij narcose of een ruggenprik
vindt u in paragraaf 24.
Wat voelt u ervan?
Het inbrengen van de naald voor de plaatselijke verdoving geeft vaak
kortdurend wat pijn. Als de verdoving gegeven is, voelt u over het
algemeen weinig meer van de laserbehandeling zelf.
Na afloop
Na afloop kunt u geruime tijd afscheiding hebben.
Operatieve behandeling: conisatie
Wat gebeurt er bij een conisatie?
Bij een conisatie neemt de gynaecoloog een kegelvormig stukje van de
baarmoederhals weg. Dit gebeurt met een mesje. Deze behandeling gebeurde
vroeger vaak, maar wordt steeds meer vervangen door een behandeling met
met een lisje of laser, zoals boven beschreven.
Hoe verloopt de behandeling?
Deze ingreep vindt over het algemeen plaats onder narcose of soms met een
ruggenprik en gebeurt via de schede. U krijgt dus geen litteken op uw
buik. De operatie duurt kort. Meer informatie over de opname in het
ziekenhuis vindt u in paragraaf 24.
Wat voelt u ervan?
Bij narcose of een ruggenprik voelt u niets van de ingreep. Soms hebt u
als u weer wakker bent wat buikpijn.
Na afloop
Na een conisatie brengt de gynaecoloog soms een tampon in de schede. Deze
tampon bestaat meestal uit een lang gaaslint. De urinebuis kan hierdoor
een beetje dichtgedrukt worden, waardoor het plassen moeilijk kan zijn.
Soms brengt men daarom een urinekatheter in de blaas. Deze wordt
verwijderd nadat de tampon door de verpleegkundige uit de schede is
gehaald.
In andere ziekenhuizen brengt men een soort zelfoplossend bloedstelpend
materiaal bij de baarmoederhals in. Dit kan uit zichzelf oplossen, maar
glijdt soms ook na de operatie als een dikke bruine prop uit de schede
naar buiten. U hoeft hier niet van te schrikken.
U
hebt vaak ruim een week of langer bloedverlies. Dit wordt langzaam minder
en gaat over in bruingelige afscheiding.
24 Behandelingen onder narcose of met een ruggenprik
Als besloten wordt tot een behandeling van de
baarmoederhals onder narcose of met een ruggenprik gebeurt dit in de
meeste ziekenhuizen in dagbehandeling. Dat betekent dat u op de dag van
opname behandeld wordt en dezelfde dag naar huis gaat. In enkele
ziekenhuizen wordt u een dag van te voren opgenomen of blijft u nog een
nacht na afloop.
Voor de operatie worden vaak vragen gesteld over uw gezondheid en meestal
vindt een kort lichamelijk onderzoek plaats.
Op de dag van de ingreep moet u nuchter zijn: na 12 uur middernacht mag u
niets meer eten en drinken.
De narcose wordt toegediend via een naaldje in een ader van uw hand of
arm. Dit gebeurt door de anesthesist (narcotiseur). U wordt wakker uit de
narcose op het moment dat de gynaecoloog klaar is met de operatie.
Op de polikliniek bespreekt de gynaecoloog wie de operatie doet. Vaak is
dit de gynaecoloog die u op de polikliniek gezien hebt. In grotere
ziekenhuizen is dit soms een collega of een arts in opleiding tot
gynaecoloog.
Als u wakker wordt, bent u eerst in de uitslaapkamer. Daarna brengt men u
naar de afdeling terug. U kunt wat suf zijn en soms wat buikpijn hebben.
Ook kunt u zich misselijk voelen en een droge mond hebben. Dit wordt na
een paar uur minder.
Soms hebt u na de operatie een infuus. Dat is een zak met vloeistof die
via een slangetje in de ader van uw hand of arm loopt. Meestal wordt dit
enkele uren na de operatie of de volgende ochtend verwijderd.
Na een dagbehandeling is het verstandig dat u uit het ziekenhuis wordt
opgehaald. Zelf autorijden of met het openbaar vervoer naar huis gaan
wordt afgeraden in verband met mogelijke na-effecten van de narcose.
Thuis kunt u over het algemeen uw dagelijkse werkzaamheden snel weer
hervatten. Soms bent u de eerste dagen nog moe. Daarom is het verstandig
deze eerste dagen niet te veel bezigheden te plannen. Bij de zorg voor een
druk gezin is het misschien verstandig om de eerste dagen extra hulp te
regelen. Bespreek dit zo nodig al met de gynaecoloog voor de operatie.
25 Adviezen na behandeling van de baarmoederhals
Gebruik van tampons
Het gebruik van tampons raden veel gynaecologen af zolang er nog sprake is
van bloedverlies of afscheiding na een behandeling.
Seksualiteit
Gemeenschap (samenleving) wordt over het algemeen afgeraden zolang er nog
sprake is van bloedverlies of afscheiding na een behandeling. Tegen een
orgasme (klaarkomen) bestaat geen bezwaar. De eerste keer weer gemeenschap
hebben is vaak een eng idee. Toch kan er niets ernstigs gebeuren. Een
enkele keer is er wat bloedverlies. De baarmoederhals is dan nog niet
helemaal is genezen. Wacht dan nog wat langer met het hebben van
gemeenschap.
Zwemmen, baden en douchen
Sommige gynaecologen adviseren om niet te zwemmen of een bad te nemen
zolang er nog bloederige afscheiding is. Andere gynaecologen hebben hier
geen bezwaar tegen. Van de douche kunt u gerust gebruik maken.
26 Wanneer moet u contact met de gynaecoloog opnemen?
Hevig bloedverlies
Als u na een behandeling van de baarmoederhals veel vloeit, dus meer dan
bij een forse menstruatie, is het verstandig met de gynaecoloog contact op
te nemen. Na een lisexcisie of een conisatie is de kans hierop ongeveer
5%.
Koorts
Ook als u na de behandeling koorts krijgt is dit een reden voor overleg
met de gynaecoloog.
27 Nacontrole
Na een behandeling van de baarmoederhals komt u
enkele weken later terug op de polikliniek. De gynaecoloog bespreekt hoe
het met u gaat. Als er weefsel is weggenomen zoals bij een lisexcisie of
een conisatie, is dit inmiddels onderzocht. Over het algemeen is de
uitslag hetzelfde als de uitslag van de biopsie. De gynaecoloog kijkt vaak
hoe het genezingsproces van de baarmoederhals verloopt, en bespreekt met u
hoe verdere controle plaatsvindt. Meestal wordt een uitstrijkje een
halfjaar, een jaar en twee jaar na de behandeling herhaald. Daarna wordt u
als de uitstrijkjes goed zijn naar de huisarts terugverwezen.
Bij meer dan 90% van de vrouwen wordt het uitstrijkje na een behandeling
weer normaal. Dit is een teken dat de behandeling goed gelukt is.
In enkele gevallen blijkt het uitstrijkje na een behandeling nog steeds
afwijkend. Bij de helft van deze vrouwen wordt het uitstrijkje uit
zichzelf weer normaal, bij de andere helft blijft het afwijkend. De
gynaecoloog doet dan opnieuw colposcopisch onderzoek. Afhankelijk van de
bevindingen wordt met u besproken of een tweede behandeling noodzakelijk
is. Bij enkele vrouwen ontstaat enige tijd na de behandeling opnieuw een
afwijkend uitstrijkje. Daarom wordt na een behandeling in de eerste twee
jaar enkele malen een uitstrijkje herhaald.
28 Complicaties en gevolgen op lange termijn
Complicaties op korte termijn van de
verschillende behandelingen van de baarmoederhals zijn er nauwelijks. U
blijft gewoon menstrueren. Over het algemeen zijn er geen problemen met
zwanger worden, met de zwangerschap zelf of tijdens de bevalling. In
uitzonderingsgevallen komen de volgende problemen voor.
- Problemen bij het zwanger worden
Na een behandeling maakt de baarmoederhals soms minder slijm aan. Slijm
van de baarmoederhals is noodzakelijk voor zaadcellen om zich vanuit de
schede naar de baarmoeder en de eierstokken te bewegen. In zeldzame
gevallen kan te weinig slijmproductie een reden zijn dat zwanger worden
moeilijk lukt.
- Problemen tijdens de zwangerschap
Als bij een conisatie een groot stuk van de baarmoederhals is weggenomen,
is kans op een vroeggeboorte licht verhoogd. Bij andere behandelingen komt
dit probleem niet voor.
- Problemen tijdens de bevalling
In zeer zeldzame gevallen ontstaat er na een behandeling van de
baarmoederhals heel sterk littekenweefsel. Het is mogelijk dat de
baarmoederhals dan tijdens de bevalling moeilijker opengaat.
- Moeilijkheden bij het afnemen van uitstrijkjes
Door sterk littekenweefsel kan de ingang van de baarmoederhals erg nauw
worden, waardoor het moeilijk kan zijn cellen van de binnenkant van de
baarmoederhals voor een uitstrijkje te krijgen.
- Pijnlijke menstruaties
Als de baarmoederhals als gevolg van littekenweefsel erg nauw is geworden,
kunnen menstruaties pijnlijker zijn dan voorheen.
Deze complicaties klinken u misschien alarmerend in de oren. Maar u moet
bedenken dat ze slechts zelden voorkomen. Bovendien worden ze vooral
gezien na een behandeling waarbij een groot deel van de baarmoederhals met
een mesje verwijderd is (conisatie). Bij lisexcisies, laserbehandelingen
en bevriezen komen zij maar zeer zelden voor.
29 Tot slot
Een afwijkende uitslag roept bij vrouwen vaak
veel vragen en onzekerheden op. In deze brochure is geprobeerd om zo goed
mogelijk uitleg te geven over verschillende onderzoeken en behandelingen.
De gynaecoloog die u behandelt bespreekt met u welke medische zorg het
meest geschikt is voor u, en is altijd bereid uw vragen te beantwoorden.
30 Woordenlijst
Biopsie Het afnemen van een biopt
Biopt Stukje weefsel dat wordt weggenomen voor weefselonderzoek
Cilindercellen Cellen die het kanaaltje van de baarmoederhals
bekleden en slijm maken; ook wel endocervicale cellen genoemd
CIN Uitslag van weefselonderzoek; afkorting voor cervicale
intra-epitheliale neoplasie, een Engelse benaming voor dysplasie. De
weefselopbouw is anders dan normaal, maar er is geen kanker
Kolposcoop Een soort verrekijker die voor de ingang van de schede
wordt geplaatst. De arts ziet hierdoor het weefsel van de baarmoederhals
vergroot
Kolposcopie Onderzoek waarbij de arts door de kolposcoop kijkt naar
de baarmoederhals
Conisatie Ingreep waarbij met een mesje een kegelvormig stukje van
de baarmoederhals wordt weggenomen
Cryobehandeling Ingreep waarbij afwijkend weefsel van de
baarmoederhals wordt bevroren
Dysplasie Dysplasie is een uitslag van weefselonderzoek. Het
betekent dat de opbouw van het weefsel anders is dan normaal, maar er is
geen kanker. De Engelse naam hiervoor is CIN. Soms spreekt men over
dysplasie in de uitslag bij een uitstrijkje. Men verwacht dan dat er
dysplasie in het weefsel aanwezig is.
Endocervicale cellen Cellen die het kanaaltje van de baarmoederhals
bekleden en slijm maken; ook wel cilindercellen genoemd
HPV Afkorting van Humaan Papilloma Virus; sommige soorten van dit
virus komen vaker voor bij afwijkende uitstrijkjes
Hotloop Andere benaming voor lisexcisie
KOPAC De uitslag van een uitstrijkje, waarbij elke letter voor een
onderdeel van de beoordeling staat
Lisbiopsie Het afnemen van een lisbiopt
Lisbiopt Een stukje weefsel dat met een verhit lisje wordt
weggenomen voor onderzoek
Lisconisatie Andere benaming voor lisexcisie
Lisexcisie Ingreep waarbij met een verhit lisje het afwijkende
weefsel wordt weggeschild
Laserbehandeling: Ingreep waarbij met een laserstraal het
afwijkende weefsel van de baarmoederhals verdampt wordt
Overgangszone Het overgangsgebied op de baarmoederhals tussen
plaveiselcellen en endocervicale of cilindercellen. Afwijkende
uitstrijkjes zijn bijna altijd afkomstig uit dit gebied. Een andere naam
is transformatiezone
Pap De uitslag van een uitstrijkje, genoemd naar Papanicolaou,
degene die de indeling van de uitslagen van uitstrijkjes heeft gemaakt
Transformatiezone Het overgangsgebied op de baarmoederhals tussen
plaveiselcellen en endocervicale of cilindercellen. Afwijkende
uitstrijkjes zijn bijna altijd afkomstig uit dit gebied. Een andere naam
is overgangszone
Het copyright en de verantwoordelijkheid voor
deze brochure berusten bij de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en
Gynaecologie (NVOG) in Utrecht. Leden van de NVOG mogen deze brochure,
mits integraal, onverkort en met bronvermelding, zonder toestemming
vermenigvuldigen.
Deze brochure is tot stand gekomen na een zorgvuldig kwaliteitstraject dat
is begeleid door de Commissie Patiëntenvoorlichting van de NVOG. Als
non-profit-instelling legt deze commissie zich toe op het formuleren en
ontwerpen van kwalitatief hoogwaardige voorlichting. De Werkgroep Cervix
Uteri (WCU) heeft deze brochure inhoudelijk goedgekeurd.
Andere folders en brochures op het gebied van de verloskunde, gynaecologie
en voortplantingsgeneeskunde zijn te vinden op de website van de NVOG:
http://www.nvog.nl, rubriek patiëntenvoorlichting.
Auteur: Dr. G. Kleiverda
Bureauredacteur: Jet Quadekker
|